Eiser en een samenwerkingsverband kregen elk twee naheffingsaanslagen kansspelbelasting opgelegd over de periode van 3 september 2013 tot en met 16 februari 2015. De aanslagen betroffen bedragen van €1.275.759 en €378.389. De rechtbank stelde vast dat slechts één van deze aanslagen terecht in stand kan blijven. In een gelijktijdige uitspraak werd geoordeeld dat het samenwerkingsverband inhoudingsplichtige is en dat de aan het samenwerkingsverband opgelegde aanslagen terecht zijn.
Eiser voerde aan dat hij niet belastingplichtig was, maar dat het samenwerkingsverband dat was. De rechtbank vond dat eiser als deelnemer aan de criminele organisatie moest worden gezien, niet als leider, en dat hij verantwoording moest afleggen aan de leider van het samenwerkingsverband. De rechtbank vernietigde daarom de aan eiser opgelegde naheffingsaanslagen en verklaarde het beroep gegrond.
De procedure omvatte een uitgebreid FIOD-onderzoek, een strafrechtelijke veroordeling van eiser voor deelname aan een criminele organisatie en een analyse van het goknetwerk en de rolverdeling binnen dat netwerk. De rechtbank oordeelde dat eiser vanaf augustus 2013 tot zijn aanhouding op 16 februari 2015 deelnam aan de criminele organisatie, maar dat het samenwerkingsverband de inhoudingsplicht droeg.
De rechtbank droeg verweerder op het betaalde griffierecht aan eiser te vergoeden en wees erop dat tegen deze uitspraak hoger beroep mogelijk is bij het gerechtshof Den Haag.