ECLI:NL:RBDHA:2023:6590
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vergoeding proceskosten wegens overschrijding beslistermijn in vreemdelingenzaak
Verzoeker is op 20 december 2022 in beroep gegaan tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Nadat verzoeker in beroep was gegaan, heeft verweerder alsnog op 20 januari 2023 een beslissing genomen. Vervolgens heeft verzoeker het beroep ingetrokken en verzocht om vergoeding van zijn proceskosten.
Verweerder heeft niet gereageerd op het verzoek om proceskostenvergoeding, waaruit de rechtbank concludeert dat er geen bezwaar is tegen vergoeding. De rechtbank wijst op het toepasselijke recht, waaronder artikel 8:54, 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
Omdat verzoeker een professionele juridische hulpverlener heeft ingeschakeld en de zaak alleen over de overschrijding van de beslistermijn gaat, kent de rechtbank een vergoeding toe van €418,50, gebaseerd op een wegingsfactor van 0,5. Verzoeker is vrijgesteld van griffierecht, zodat dit niet wordt vergoed.
De rechtbank veroordeelt de Staatssecretaris tot betaling van deze kosten en wijst erop dat partijen niet zijn uitgenodigd voor een zitting omdat dat niet nodig was in deze procedure.
Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de Staatssecretaris tot betaling van €418,50 aan proceskosten wegens overschrijding van de beslistermijn.