ECLI:NL:RBDHA:2023:6641
Rechtbank Den Haag
- Proceskostenveroordeling
- Rechtspraak.nl
Proceskostenveroordeling na intrekking beroep wegens niet tijdig beslissen op machtigingsaanvraag
Verzoekers, van Iraakse nationaliteit, dienden op 8 december 2022 beroep in tegen het niet tijdig beslissen op hun aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) van 16 februari 2022. Tijdens de procedure heeft de verweerder het besluit alsnog genomen en een dwangsom toegekend. Hierop trokken verzoekers het beroep in en verzochten om vergoeding van proceskosten.
De rechtbank stelde de verweerder in de gelegenheid te reageren op het verzoek om proceskostenvergoeding, maar deze heeft niet gereageerd. Op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) deed de rechtbank zonder zitting uitspraak.
De rechtbank oordeelde dat verweerder aan verzoekers was tegemoetgekomen door alsnog te beslissen en dat het verzoek om proceskostenvergoeding daarom gegrond was. De proceskosten werden vastgesteld op €418,50, gebaseerd op de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand met een wegingsfactor van 0,5 vanwege de lichte aard van het beroep. Verzoekers waren vrijgesteld van griffierecht wegens betalingsonmacht, zodat verweerder dit niet hoefde te vergoeden.
Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de staatssecretaris tot betaling van €418,50 aan proceskosten aan verzoekers.