Eiser, een Egyptische christen, diende op 13 december 2022 een asielaanvraag in met het beroep op discriminatie en geweld vanwege zijn geloof. Verweerder verklaarde de aanvraag kennelijk ongegrond omdat eiser pas maanden na binnenkomst in Nederland een aanvraag deed en onvoldoende bewijs leverde voor het steekincident en de geloofsgerelateerde vervolging.
De rechtbank oordeelde dat het beroep ontvankelijk was ondanks een aanvankelijke te late indiening van beroepsgronden, omdat de termijn door een feestdag werd verlengd. De rechtbank volgde verweerder in het oordeel dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt waarom hij zich niet eerder had gemeld en dat het steekincident ongeloofwaardig was vanwege het ontbreken van een causale relatie en bewijs.
De brief van Vluchtelingenwerk Nederland die eiser overlegd had, betrof een andere groep dan eiser en kon zijn situatie niet ondersteunen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.