De rechtbank Den Haag behandelde een kort geding waarin eiser verzocht om opschorting van de tenuitvoerlegging van zijn gevangenisstraf van dertien maanden, in afwachting van een onherroepelijke beslissing in een bodemprocedure over verrekening van voorlopige hechtenis. Tevens vorderde eiser subsidiair toestemming voor het gebruik van een laptop met printer/scanner en internettoegang in zijn cel.
De rechtbank oordeelde dat de Staat gehouden is de onherroepelijke gevangenisstraf uit te voeren, tenzij een wettelijke uitzondering of een dwingende uitspraak van het EHRM anders bepaalt. De bodemrechter had reeds geoordeeld dat er geen grond bestaat voor verrekening van de voorlopige hechtenis met de opgelegde straf, en dit oordeel kon in kort geding niet worden herzien. Het enkele feit dat hoger beroep is ingesteld, schorst de tenuitvoerlegging niet. Ook het beroep op schending van artikelen 5 en 13 EVRM faalde.
Ten aanzien van het subsidiaire verzoek tot laptopgebruik stelde de rechtbank dat beslissingen hierover berusten bij de directeur van de penitentiaire inrichting en dat eiser zich tot deze directeur moet wenden. De rechtbank verklaarde dit verzoek niet-ontvankelijk wegens gebrek aan spoedeisend belang.
Eiser werd veroordeeld in de proceskosten, die uitvoerbaar bij voorraad zijn verklaard.