ECLI:NL:RBDHA:2023:6957
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep gegrond wegens verschoonbare termijnoverschrijding bij beëindiging Ziektewet-uitkering
Eiser maakte bezwaar tegen de beëindiging van zijn Ziektewet-uitkering per 17 augustus 2021, maar diende dit bezwaar te laat in. Verweerder stelde dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was, omdat eiser al op 17 augustus 2021 door een arts was verklaard geschikt voor arbeid en hij via een medewerker van de gemeente op 18 oktober 2021 op de hoogte was van het beëindigingsbesluit.
Eiser betoogde dat hij door de communicatie van verweerder op het verkeerde been was gezet en pas op 15 november 2021 duidelijkheid kreeg over het beëindigen van zijn uitkering. De rechtbank oordeelde dat eiser het primaire besluit pas op 27 oktober 2021 had ontvangen, waardoor de bezwaartermijn op 28 oktober 2021 begon en het bezwaar te laat was ingediend.
Toch oordeelde de rechtbank dat sprake was van een verschoonbare termijnoverschrijding, omdat het toekenningsbesluit van 16 september 2021 geen beëindigingsdatum vermeldde en eiser gerechtvaardigd kon aannemen dat hij recht had op de uitkering. Daarnaast was het voor eiser niet duidelijk dat zijn uitkering per 17 augustus 2021 was beëindigd, mede door onduidelijke communicatie via het KCC en de gemeente.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat verweerder het bezwaar alsnog inhoudelijk moet behandelen. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan eiser.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot niet-ontvankelijkheid van het bezwaar wordt vernietigd wegens verschoonbare termijnoverschrijding.