ECLI:NL:RBDHA:2023:6959
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen AOW-korting wegens verzekeringsperiode afgewezen behalve correctie naar 54% AOW
Eiser betwistte het besluit van de Sociale Verzekeringsbank (Svb) waarin hem vanaf 1 januari 2021 een AOW-pensioen werd toegekend van 52% van het maximale bedrag, met een korting van 48%. De Svb had het bezwaar van eiser afgewezen en het primaire besluit gehandhaafd.
Na nader onderzoek erkende de Svb dat de vastgestelde verzekeringsperiode onjuist was en dat eiser recht had op een hogere AOW van 54% (korting 46%). De rechtbank behandelde het beroep en stelde vast dat het enige geschilpunt de verzekeringsstatus van eiser was over twee specifieke tijdvakken in de jaren 1971-1974.
De Svb had zorgvuldig onderzoek verricht, maar kon geen bewijs vinden dat eiser in die perioden als ingezetene van Nederland kon worden aangemerkt, mede omdat ingezetenschap volgens de AOW pas na een jaar verblijf wordt aangenomen. Eiser kon zijn verblijf en vestiging niet met objectief verifieerbare stukken aantonen.
De rechtbank oordeelde dat de Svb terecht pas na een jaar verblijf ingezetenschap aannam en dat de correctie naar 54% AOW terecht was. Het beroep werd gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de uitspraak verving het vernietigde besluit. Verweerder werd veroordeeld het griffierecht aan eiser te vergoeden.
Uitkomst: Eiser krijgt recht op 54% AOW vanaf 1 januari 2021 in plaats van 52%.