ECLI:NL:RBDHA:2023:7209

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 april 2023
Publicatiedatum
19 mei 2023
Zaaknummer
NL23.6011
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 Vreemdelingenwet 2000Verordening (EU) nr. 604/2013Art. 17 DublinverordeningArt. 18 lid 1 onder d DublinverordeningOpvangrichtlijn
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen weigering behandeling asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid België

Eiser, van Iraanse nationaliteit, heeft een asielaanvraag ingediend in Nederland die niet in behandeling is genomen omdat België volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling. Eiser heeft meerdere eerdere asielaanvragen gedaan in Nederland en België, waarbij België eerder verantwoordelijk werd geacht en hij aan België is overgedragen.

Eiser stelt dat hij in België geen eerlijke behandeling zal krijgen en dat hij bij de Belgische politie geen asielaanvraag kon indienen. De rechtbank overweegt dat België terecht verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek, mede omdat België claimakkoorden heeft afgegeven en internationale verplichtingen naleeft.

De rechtbank vindt onvoldoende bewijs dat eiser daadwerkelijk een asielaanvraag bij de Belgische politie heeft geprobeerd in te dienen en dat hem dit geweigerd is. Ook is onvoldoende aannemelijk dat overdracht aan België zinloos is. Het beroep op de discretionaire bevoegdheid van artikel 17 van Pro de Dublinverordening faalt.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en ziet geen aanleiding tot proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL23.6011
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. A.S. Sewman),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. C.H.H.P.M. Kelderman).

Procesverloop

Bij besluit van 23 februari 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat België verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep, tezamen met de zaak 23.6012, op 28 maart 2023 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1977 en stelt de Iraanse nationaliteit te hebben.
2. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw); daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij België een verzoek om terugname gedaan. België heeft dit verzoek aanvaard.
3. Eiser voert aan dat hij in 2000 voor het eerst asiel heeft aangevraagd bij de Nederlandse autoriteiten. Hij heeft daarna in 2001/2002 en 2003/2004 bescherming gezocht bij de Belgische autoriteiten, maar die asielverzoeken zijn afgewezen omdat hij had
verzwegen dat hij zich eerst in Nederland had gemeld. Eiser overlegt een aantal stukken uit die Belgische procedures. Eiser stelt zich op het standpunt dat de Belgische autoriteiten van mening zijn dat eiser zijn heil moet zoeken in Nederland en dat hij daarom in België geen eerlijk proces zal krijgen.
4. De rechtbank overweegt dat hoewel eiser zijn eerste asielverzoek in Nederland heeft gedaan in 2000 en zijn asielverzoeken in 2002 en 2004 in België zijn afgewezen, dit niet afdoet aan de omstandigheid dat België op dit moment terecht verantwoordelijk is geacht voor de behandeling van het huidige asielverzoek. De verantwoordelijkheid kan immers onder omstandigheden overgaan van de ene op de andere lidstaat. De verantwoordelijkheid van België voor de behandeling van eisers asielverzoek is al vastgesteld in de procedures die zijn gestart met asielverzoeken van eiser in Nederland in 2019 en 2020. Eiser is na het laatstgenoemde asielverzoek ook aan België overgedragen en heeft sindsdien het Dublingebied niet verlaten. Verweerder heeft daarom terecht in de huidige procedure België wederom verantwoordelijk geacht voor de behandeling van eisers asielverzoek. De beroepsgrond van eiser slaagt niet.
5. Eiser voert verder aan dat hij zich vorig jaar, na de Dublinoverdracht door Nederland, tot de Belgische politie heeft gewend om asiel aan te vragen. Hem is toen gezegd dat hij er alleen voor stond. De politie wilde hem desgevraagd ook niet naar Brussel brengen, zodat hij zich tot de Belgische autoriteiten kon wenden. Eiser is daarop in de trein terug naar Nederland gestapt. Eiser is al 23 jaar in Europa en verweerder is op de hoogte van zijn nationaliteit en het gevaar dat hij loopt in zijn land van herkomst. Bij overdracht aan België zal eiser telkens terugkomen naar Nederland, totdat Nederland overgaat tot een inhoudelijke behandeling van zijn asielverzoek.
6. De rechtbank begrijpt dat eiser hiermee een beroep doet op de discretionaire bevoegdheid van verweerder, zoals neergelegd in artikel 17 van Pro de Dublinverordening. De stelling van eiser dat de Belgische autoriteiten hem niet zullen toelaten tot de asielprocedure en hij geen inhoudelijke behandeling van zijn asielverzoek zal krijgen, blijkt niet uit de gang van zaken zoals die in de stukken is geschetst. Uit de Belgische claimakkoorden, die in 2019 en 2021 zijn afgegeven op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening, en uit de gegevens die door eiser zelf zijn overgelegd, blijkt immers dat eisers asielverzoeken in België zijn behandeld en dat deze zijn afgerond. Dat het niet tot een inhoudelijke behandeling is gekomen maakt dat niet anders. Dit betekent dus dat er in
België wel asielverzoeken van eiser zijn behandeld. In de huidige procedure heeft België wederom een claimakkoord afgegeven, waarmee België heeft gegarandeerd dat hij het huidige asielverzoek van eiser in behandeling zal nemen. Hierbij dienen de Belgische autoriteiten de op hen rustende internationale verplichtingen, zoals neergelegd in de Opvangrichtlijn, Kwalificatierichtlijn en Procedurerichtlijn, in acht te nemen. In het feit dat de behandeling in België eerder niet heeft geleid tot vergunningverlening heeft verweerder geen reden hoeven zien om het asielverzoek van eiser onverplicht aan zich te trekken. Eiser heeft niet gesteld en onderbouwd dat de Belgische autoriteiten met de afwijzing van de asielverzoeken zich niet aan de op hen rustende internationale verplichtingen hebben gehouden. Verder overweegt de rechtbank dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij het treffen van de Belgische politie op het station daadwerkelijk een poging heeft gedaan om een asielaanvraag in te dienen en dat hem dit is geweigerd. Dit volgt niet uit zijn verklaringen. In de stelling van eiser dat overdracht aan België zinloos is, omdat Nederland op de hoogte is van zijn nationaliteit en zijn problemen en hij daarom telkens naar
Nederland zal terugkeren, heeft verweerder evenmin reden hoeven zien om het asielverzoek onverplicht aan zich te trekken. Het beroep op artikel 17 van Pro de Dublinverordening slaagt niet.
7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.A. Banga, rechter, in aanwezigheid van mr. K.S. Smits, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
07 april 2023

Documentcode: [documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.