ECLI:NL:RBDHA:2023:7225
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken van beroepsgronden bij aanvraag verblijfsvergunning
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd niet in behandeling te nemen. Dit bezwaar is door verweerder niet-ontvankelijk verklaard. Eiser stelde vervolgens beroep in bij de rechtbank Den Haag.
De rechtbank heeft het beroep zonder zitting behandeld op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Uit de beoordeling blijkt dat het beroepschrift van eiser geen gronden bevatte, terwijl volgens artikel 6:5 Awb Pro het beroepschrift ten minste de gronden van het beroep moet bevatten.
De rechtbank heeft eiser bij aangetekende brief verzocht alsnog binnen vier weken gronden in te dienen, maar hierop is geen reactie ontvangen. Gezien het ontbreken van gronden verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en behandelt zij het beroep niet inhoudelijk. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van beroepsgronden.