ECLI:NL:RBDHA:2023:7227
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening na bezwaar tegen afwijzing verblijfsvergunning
Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is afgewezen bij besluit van 10 juni 2022. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit primaire besluit en verzocht tevens om een voorlopige voorziening.
De staatssecretaris heeft het bezwaar bij besluit van 2 augustus 2022 behandeld, waardoor er geen bezwaar meer aanhangig was ten tijde van het verzoek om voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter oordeelt dat op grond van artikel 8:81, vijfde lid, Awb het verzoek om voorlopige voorziening gelijkgesteld wordt met een verzoek dat wordt gedaan tijdens het beroep bij de bestuursrechter.
De rechtbank heeft inmiddels uitspraak gedaan op het beroep in zaaknummer AWB 22/5276. Gezien deze uitspraak wordt het verzoek om voorlopige voorziening als kennelijk ongegrond afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het bezwaar is behandeld en het beroep is beslist.