ECLI:NL:RBDHA:2023:7256

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 mei 2023
Publicatiedatum
22 mei 2023
Zaaknummer
NL23.10688
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 96 VwECLI:EU:C:2022:858
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel van bewaring vreemdeling met bevestigde Marokkaanse nationaliteit

Eiser, die stelt Marokkaanse nationaliteit te bezitten, is op 25 februari 2023 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Hij heeft beroep ingesteld tegen de voortzetting van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank heeft eerder de rechtmatigheid van de maatregel tot het sluiten van het onderzoek bevestigd en beoordeelt nu de rechtmatigheid sinds dat moment.

Eiser betwist de bevestiging van zijn Marokkaanse nationaliteit door de autoriteiten, die op basis van vingerafdrukken is vastgesteld, en stelt dat hij Algerijnse nationaliteit heeft. Verweerder heeft echter meerdere malen de nationaliteit bevestigd gekregen van de Marokkaanse autoriteiten, mede na persoonlijk rappelleren bij het consulaat-generaal. Eiser heeft geen bewijs geleverd voor zijn Algerijnse nationaliteit en verklaarde tijdens een vertrekgesprek niets te hebben gedaan om zijn uitzetting te bespoedigen.

De rechtbank oordeelt dat verweerder mag uitgaan van de bevestigde Marokkaanse nationaliteit en dat er zicht is op uitzetting binnen een redelijke termijn. De rechtbank wijst ook het verzoek om een lichter middel af, omdat de bewaring proportioneel is en eiser geen omstandigheden heeft aangevoerd die dit anders maken. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de voortzetting van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL23.10688
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. S. Wortel),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. J.C. van Ossenbruggen-Theodoulou).

Procesverloop

Verweerder heeft op 25 februari 2023 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
Verweerder heeft vervolgens een verweerschrift ingediend.
De behandeling van het beroep is ter zitting van 24 april 2023 aangehouden omdat verweerder zonder bericht van verhindering niet is verschenen.
De rechtbank heeft het beroep op 1 mei 2023 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1964.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 8 maart 2023 (in de zaak NL23.5854) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek de maatregel van bewaring rechtmatig is.
4. Eiser voert aan dat uit de voortgangsrapportage blijkt dat de aanvraag om een laissez passer (lp) bij de Marokkaanse autroiteiten al is gedaan op 12 november 2015. Ondanks meerdere presentaties, is er nog steeds geen lp afgegeven. Eiser stelt zelf dat hij de Algerijnse nationaliteit heeft maar verweerder heeft daar geen enkele opvolging aan gegeven. Opvallend is dat wordt gesteld dat de nationaliteit reeds zou zijn bevestigd door de Marokkaanse autoriteiten op grond van vingerafdrukken. Het is voor eiser onbegrijpelijk dat de Marokkaanse autoriteiten op basis van louter vingerafdrukken tot een nationaliteitsbevestiging komen. Op basis van vingerafdrukken kan zijn nationaliteit niet worden vastgesteld, tenzij (hetgeen juist niet is gebleken) de vingerafdrukken zouden zijn gekoppeld aan zijn identiteit. Gelet op deze onduidelijkheden stelt eiser zich op het standpunt dat er geen zicht op uitzetting is. Tot slot is eiser van mening dat er kan worden volstaan met een lichter middel. Eiser kan in afwachting van de procedure zich desgewenst wekelijks bij de vreemdelingenpolitie melden.
5. Verweerder stelt zich hierover op het standpunt dat de nationaliteit van eiser op 19 augustus 2022 via vingerafdrukken door de Marokkaanse autoriteiten te Rabat is bevestigd. Eiser komt daar voor onder naam: [naam] . Op 2 september 2022 en 27 februari 2023 is de Marokkaanse nationaliteit van eiser nogmaals bevestigd. Eiser heeft niets gedaan om zijn stelling dat hij de Algerijnse nationaliteit heeft te onderbouwen. Uit het digitale procesdossier blijkt dat op 22 maart 2023 persoonlijk is gerappelleerd bij het consulaat- generaal van de Marokkaanse ambassade te Rotterdam. Op 29 maart 2023 is met eiser een vertrekgesprek is gevoerd waarin eiser zegt dat hij
niets heeft gedaan om zijn terugkeer te bespoedigen en dat hij ook niet van plan is om dat te gaan doen. Voorts is er op 6 april 2023 in alle Marokkaanse zaken een algemeen rappel verzonden. Verweerder is thans in afwachting van de afgifte van een lp en meent gelet op voorgaande dat zicht op uitzetting voor Marokko binnen redelijke termijn niet ontbreekt.
6. De rechtbank overweegt als volgt
Zicht op uitzetting
De rechtbank verwijst in dit verband allereerst naar haar eerdere uitspraak van 8 maart 2023 (in de zaak NL23.5854) rechtsoverweging 5. Daaraan voegt de rechtbank toe dat er zicht op uitzetting is naar Marokko, zowel in het algemeen als in het bijzonder voor eiser. De rechtbank overweegt dat de Marokkaanse autoriteiten de identiteit en nationaliteit van eiser hebben bevestigd, nadat eiser in persoon bij hen is gepresenteerd. Uit de voortgangsrapportage blijkt dat de bevestiging van eisers nationaliteit aan de hand van
vingerafdrukken is gebeurd, omdat eiser nog geen documenten heeft overlegd. Verweerder mag naar het oordeel van de rechtbank uitgaan van deze bevestiging door de Marokkaanse autoriteiten van eisers nationaliteit. Over wat eiser aanvoert over de wijze waarop het onderzoek voorafgaande aan de identiteits- en nationaliteitsbevestiging heeft plaatsgevonden, kan de rechtbank geen oordeel geven. Wanneer eiser van mening is dat de Marokkaanse autoriteiten op een onjuiste wijze tot hun vaststelling zijn gekomen, ligt het op zijn weg om daarover in gesprek te gaan met die autoriteiten. Verweerder heeft op 22 maart 2023 persoonlijk gerappelleerd bij het consulaat-generaal van de Marokkaanse ambassade te Rotterdam. Verweerder is thans in afwachting van de afgifte van een lp ten behoeve van eisers uitzetting. De rechtbank stelt verder vast dat verweerder voor de afgifte van een lp afhankelijk is van de werkwijze van de Marokkaanse autoriteiten. Het is aan eiser om de autoriteiten van Marokko zoveel mogelijk informatie te verschaffen die de afgifte van een lp kan bespoedigen. De rechtbank overweegt dat eisers enkele stelling dat hij uit Algerije komt onvoldoende is voor het oordeel dat verweerder een lp traject bij de Algerijnse autroiteiten dient te starten. Bovendien is de keuze welk uitzettingstraject wordt gevolgd, primair aan verweerder. Daarnaast heeft verweerder op 27 maart 2023 een vertrekgesprek gevoerd met eiser. Uit het verslag van dit gesprek blijkt dat eiser heeft verklaard dat hij niets heeft ondernomen om zijn uitzetting te bespoedigen. Tevens heeft hij verklaard niets te zullen ondernemen omdat hij niet naar Marokko wenst te gaan. Op eiser rust de rechtsplicht om Nederland te verlaten, welke plicht onder meer meebrengt dat hij volledige en actieve medewerking dient te verlenen aan het onderzoek naar zijn identiteit. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Lichter middel
De rechtbank is, onder verwijzing naar haar eerdere uitspraak van 8 maart 2023 (in de zaak NL23.5854), van oordeel dat verweerder zich, gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, op het standpunt heeft kunnen stellen dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregel dan de inbewaringstelling doeltreffend kon worden toegepast. Eiser heeft deze motivering niet inhoudelijk betwist. Eiser heeft evenmin omstandigheden aangevoerd op grond waarvan de bewaring onevenredig bezwarend moet worden geacht. Deze beroepsgrond slaagt daarom ook niet.
Ambtshalve toetsing
Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing1 waartoe zij gehouden is, is de rechtbank niet van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
1. ECLI:EU:C:2022:858

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van veen, rechter, in aanwezigheid van
N. Dayerizadeh, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
02 mei 2023

Documentcode: [documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.