ECLI:NL:RBDHA:2023:7294
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaring beroep tegen voortduren maatregel van bewaring in vreemdelingenzaak
De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van een Marokkaanse vreemdeling tegen het voortduren van een maatregel van bewaring opgelegd door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op grond van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel was reeds eerder getoetst en rechtmatig bevonden tot 5 april 2023.
De rechtbank beoordeelde of de maatregel sinds die datum nog rechtmatig was. De eiser stelde dat er onduidelijkheid bestond over de termijn voor uitzetting naar Marokko vanwege een lopende laissez-passeraanvraag en verzocht om meer inzicht in de afgifte van laissez-passers. De rechtbank verwees naar recente jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, die uitgaat van concreet zicht op uitzetting naar Marokko.
Verweerder had gegevens over afgifte en uitzetting met laissez-passers over 2022 en begin 2023 overgelegd, en toegelicht dat de gemiddelde doorlooptijd van een laissez-passeraanvraag drie maanden bedraagt. De rechtbank concludeerde dat er geen aanleiding was te twijfelen aan het concreet zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn, mede omdat verweerder afhankelijk is van de Marokkaanse autoriteiten en enige tijd gegund moet worden.
De rechtbank zag geen onrechtmatigheid in de maatregel van bewaring en verklaarde het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding werd eveneens afgewezen. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.