ECLI:NL:RBDHA:2023:7387
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietigingsrecht Wet politiegegevens en Wetboek van Strafvordering in geschil over klantdossier
In deze bestuursrechtelijke zaken hebben eisers beroep ingesteld tegen besluiten van de minister van Financiën die hun verzoeken tot verwijdering van een klantdossier op grond van de Wet politiegegevens (Wpg) hebben afgewezen. De gegevens betroffen een klantdossier dat in 2018 door de FIOD was gevorderd in een strafrechtelijk onderzoek. Eisers voerden aan dat de gegevens niet vernietigd waren zoals vereist volgens artikel 28 van Pro de Wpg en dat de verwerking onrechtmatig was.
De rechtbank stelt vast dat het vernietigingsrecht van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv), dat ziet op het vernietigen van gegevens in strafrechtelijke procedures, voorrang heeft op het vernietigingsrecht van artikel 28, tweede lid, van de Wpg. De strafrechter heeft al geoordeeld dat het klantdossier vernietigd moest worden en kan zelf beoordelen of die vernietiging correct is uitgevoerd. Een inhoudelijke bestuursrechtelijke toetsing zou de wettelijke systematiek doorkruisen.
De rechtbank verklaart de beroepen tegen de eerste twee besluiten niet-ontvankelijk omdat eisers geen belang meer hebben bij beoordeling daarvan. De beroepen tegen het derde besluit worden ongegrond verklaard. Eisers krijgen wel een vergoeding van proceskosten omdat verweerder de beginselen van hoor en wederhoor en zorgvuldigheid niet volledig in acht heeft genomen bij de herzieningen.
De uitspraak benadrukt de scheiding tussen bestuursrechtelijke en strafrechtelijke procedures bij vernietiging van politiegegevens en bevestigt dat het ontoegankelijk maken van gegevens gelijkstaat aan vernietiging in de zin van de Wpg.
Uitkomst: Beroepen tegen eerste twee besluiten niet-ontvankelijk, tegen derde besluit ongegrond; proceskostenvergoeding aan eisers.