ECLI:NL:RBDHA:2023:7519

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 mei 2023
Publicatiedatum
26 mei 2023
Zaaknummer
NL 22.24512
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 64 Vreemdelingenwet 2000Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wegens ontbreken connexiteit na besluit op bezwaar

Verzoekster heeft bij de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag gedaan om opschorting van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Deze aanvraag is op 30 november 2022 buiten behandeling gesteld. Verzoekster maakte bezwaar tegen dit besluit en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen zolang het bezwaar in behandeling is.

Op 6 april 2023 heeft verweerder op het bezwaarschrift beslist. Verzoekster heeft vervolgens geen beroep ingesteld tegen deze beslissing. De voorzieningenrechter heeft daarom het onderzoek zonder zitting gesloten en het verzoek om voorlopige voorziening beoordeeld.

De rechtbank oordeelt dat op grond van artikel 8:81 Awb Pro de vereiste connexiteit tussen het verzoek om voorlopige voorziening en de hoofdzaak ontbreekt doordat geen beroep is ingesteld tegen het besluit op bezwaar. Hierdoor is het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

De uitspraak is gedaan door rechter C.H. de Groot en griffier B. van der Wiel en is openbaar gemaakt. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van de vereiste connexiteit.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.24512

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoekster], verzoekster,

geboren op [geboortedatum],
van Sierraleoonse nationaliteit
V-nummer: [vnummer]
(gemachtigde: mr. E.R. Hagenaars),
en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

Procesverloop

Bij besluit van 30 november 2022 heeft verweerder de aanvraag van verzoekster om opschorting van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) buiten behandeling gesteld.
Verzoekster heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen hangende het bezwaar tegen verweerders besluit van 30 november 2022.
Verweerder heeft op 6 april 2023 beslist op het bezwaarschrift van verzoekster.
Verzoekster heeft geen beroep ingediend tegen de beslissing op het bezwaarschrift.
De voorzieningenrechter heeft bepaald dat het onderzoek ter zitting verder achterwege blijft. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

De rechtbank doet op grond van artikel 8:83, derde lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
Op grond van artikel 8:81 Algemene Pro wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Aangezien verweerder bij besluit van 6 april 2023 op het bezwaar van verzoekster heeft beslist, waartegen verzoekster vervolgens geen rechtsmiddelen heeft aangewend, is, gelet op artikel 8:81, tweede lid, Awb de vereiste connexiteit aan het verzoek komen te ontvallen.
Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. de Groot, rechter, in aanwezigheid van B. van der Wiel, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.