ECLI:NL:RBDHA:2023:7618

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 mei 2023
Publicatiedatum
30 mei 2023
Zaaknummer
NL23.9550
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.106a Vreemdelingenbesluit 2000Art. 30a, eerste lid, aanhef en onder a, Vreemdelingenwet 2000
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring asielaanvraag wegens interstatelijk vertrouwensbeginsel met Duitsland

Eiser, van Ethiopische nationaliteit, diende op 3 maart 2023 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder verklaarde deze aanvraag niet-ontvankelijk omdat eiser reeds op 3 februari 2017 internationale bescherming in Duitsland heeft gekregen. De rechtbank hanteert het interstatelijk vertrouwensbeginsel en gaat ervan uit dat Duitsland zijn verdragsverplichtingen nakomt.

Eiser betwist dit en stelt dat hij in Duitsland geregistreerd staat als Eritreeër en daardoor geen permanente verblijfsstatus of reisdocument ontvangt, wat leidt tot een uitzichtloze situatie. Hij beroept zich op artikel 3.106a van het Vreemdelingenbesluit 2000 en vraagt bescherming in Nederland.

De rechtbank oordeelt dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd dat Duitsland zijn verplichtingen jegens hem niet nakomt of dat klagen bij Duitse autoriteiten zinloos is. Het enkele feit dat hij geen permanente status heeft, betekent niet dat Duitsland tekortschiet. Daarom is de aanvraag terecht niet-ontvankelijk verklaard en wordt het beroep ongegrond verklaard.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de asielaanvraag niet-ontvankelijk omdat eiser reeds internationale bescherming geniet in Duitsland en het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.9550

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. F. Boone),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. C.H.H.P.M. Kelderman).

ProcesverloopBij besluit van 22 maart 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 15 mei 2023 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboorrtedatum] en van Ethiopische nationaliteit te zijn.
2. Op 3 maart 2023 heeft eiser een asielaanvraag in Nederland ingediend. Verweerder heeft de asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard omdat de Duitse autoriteiten op 3 februari 2017 eiser al internationale bescherming hebben verleend. [1] Verweerder heeft aan het besluit ten grondslag gelegd dat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan en eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat dit in zijn geval niet zo is. Eiser heeft niet onderbouwd dat hij geen hulp kan krijgen van de Duitse autoriteiten, ook is niet gebleken dat hij daar heeft geklaagd bij de (hogere) autoriteiten.
3. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. Hij staat in Duitsland geregistreerd als Eritreeër, terwijl hij stelt Ethiopiër te zijn. Omdat hij zijn nationaliteit niet kan aantonen, heeft hij in Duitsland een tijdelijk verblijfsrecht dat steeds wordt verlengd, maar waarmee hij geen aanspraak maakt op een permanente status of een reisdocument waarmee hij internationaal kan reizen. Eiser stelt dat sprake is van een uitzichtloze situatie waarbij klagen bij de Duitse autoriteiten zinloos is. Eiser vraagt om bescherming in Nederland omdat Duitsland jegens hem zijn verdragsverplichtingen niet nakomt. Hij beroept zich hierbij op artikel 3.106a, aanhef en eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 en meent dat aan de voorwaarden voor een niet-ontvankelijkheidsverklaring niet is voldaan.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Niet in geschil is dat eiser internationale bescherming geniet in Duitsland. Gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag verweerder er in het algemeen van uitgaan dat Duitsland zijn verdragsverplichtingen nakomt. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval anders is. Eiser heeft niet onderbouwd hoe Duitsland zijn verdragsverplichtingen jegens hem niet nakomt. Het enkele feit dat eiser geen permanente status krijgt in Duitsland betekent niet dat Duitsland zijn verdragsverplichtingen niet nakomt. Als eiser niettemin klachten heeft over de wijze waarop hij zijn rechten in Duitsland kan effectueren, staat het hem vrij daarover bij de Duitse autoriteiten te klagen. Eiser heeft niet met stukken onderbouwd dat het zinloos is om bij de Duitse autoriteiten over zijn status te klagen. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om niet langer uit te gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Duitsland.
5. De aanvraag is terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is ongegrond.
6. Verweerder hoeft de door eiser gemaakte proceskosten niet te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr.S.S. van der Velde, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000.