ECLI:NL:RBDHA:2023:7629
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wegens ontbreken gronden
Verzoeker heeft bij besluit van 10 november 2022 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, welke niet in behandeling is genomen door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit primaire besluit en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter beoordeelde het verzoekschrift en constateerde dat het geen gronden bevatte, hetgeen vereist is op grond van artikel 6:5 en Pro 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht. De voorzieningenrechter heeft verzoeker bij aangetekende brief verzocht alsnog gronden in te dienen, maar hierop is geen reactie ontvangen.
Gelet op het ontbreken van gronden en het uitblijven van herstel is het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van gronden.