ECLI:NL:RBDHA:2023:7651
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding ondanks verbouwing woning partner
Verzoeker heeft een bijstandsuitkering voor een alleenstaande aangevraagd, maar het college heeft deze aanvraag afgewezen omdat verzoeker en zijn partner naar het oordeel van het college een gezamenlijke huishouding voeren. De partner van verzoeker staat ingeschreven op een ander adres, maar verblijft volgens het college en de onderzoeksbevindingen feitelijk op het uitkeringsadres van verzoeker.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een voorlopige voorziening behandeld en geoordeeld dat het spoedeisend belang aanwezig is. Uit het onderzoek blijkt dat het waterverbruik op het uitkeringsadres overeenkomt met dat van een meerpersoonshuishouden en dat de partner regelmatig op het uitkeringsadres verblijft, ondanks haar inschrijving elders. De verklaring van de partner dat zij vanwege een langdurige verbouwing bij verzoeker verblijft, leidt niet tot een ander oordeel omdat de periode van verblijf niet van korte duur is.
Verzoeker stelde dat hij en zijn partner duurzaam gescheiden leven en dat het college onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar het hoofdverblijf van zijn partner, maar dit werd door de voorzieningenrechter verworpen. Ook het beroep op dringende redenen op grond van artikel 16 van Pro de Participatiewet slaagde niet.
De voorzieningenrechter concludeert dat de bijstandsaanvraag terecht is afgewezen en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Verzoeker ontvangt daarom voorlopig geen bijstandsuitkering. Er is geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskosten.
Uitkomst: De aanvraag om bijstandsuitkering is terecht afgewezen wegens gezamenlijke huishouding; het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.