ECLI:NL:RBDHA:2023:7734
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verlenging verblijfsvergunning zoekjaar wegens ontbreken bijzondere omstandigheden
Eiseres, een Zambiaanse hoogopgeleide, had een verblijfsvergunning zoekjaar voor twaalf maanden na afronding van haar studie in Nederland. Zij verzocht om verlenging van deze vergunning en wijziging naar arbeid in loondienst, omdat zij bij een schoonmaakbedrijf wilde werken. Verweerder wees de aanvraag af omdat de vergunning zoekjaar niet verlengbaar is en de vereiste bewijsstukken voor arbeid in loondienst ontbraken.
In beroep stelde eiseres dat zij vanwege de coronapandemie feitelijk geen gebruik kon maken van haar zoekjaar en dat verweerder daarom op grond van artikel 4:84 Awb Pro en het evenredigheidsbeginsel had moeten afwijken van het beleid. Op de zitting beperkte zij haar beroep tot de vraag of de coronapandemie bijzondere omstandigheden vormde die verlenging van het zoekjaar rechtvaardigden.
De rechtbank oordeelde dat eiseres onvoldoende concrete en onderbouwde gegevens had aangeleverd over haar sollicitatie-inspanningen en de impact van de pandemie op haar kansen op de arbeidsmarkt. Ook is artikel 3.58 Vreemdelingenbesluit 2000 een algemene maatregel van bestuur, waardoor artikel 4:84 Awb Pro niet van toepassing is. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
De rechtbank bevestigde daarmee dat de verblijfsvergunning zoekjaar maximaal twaalf maanden geldt en dat afwijking alleen mogelijk is bij aantoonbare bijzondere omstandigheden, die hier ontbraken.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van verlenging van de verblijfsvergunning zoekjaar wordt ongegrond verklaard.