ECLI:NL:RBDHA:2023:7734

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 mei 2023
Publicatiedatum
30 mei 2023
Zaaknummer
NL22.24143, NL22.24144
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.58 Vb 2000Art. 4:84 AwbArt. 1:3 AwbArt. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verlenging verblijfsvergunning zoekjaar wegens ontbreken bijzondere omstandigheden

Eiseres, een Zambiaanse hoogopgeleide, had een verblijfsvergunning zoekjaar voor twaalf maanden na afronding van haar studie in Nederland. Zij verzocht om verlenging van deze vergunning en wijziging naar arbeid in loondienst, omdat zij bij een schoonmaakbedrijf wilde werken. Verweerder wees de aanvraag af omdat de vergunning zoekjaar niet verlengbaar is en de vereiste bewijsstukken voor arbeid in loondienst ontbraken.

In beroep stelde eiseres dat zij vanwege de coronapandemie feitelijk geen gebruik kon maken van haar zoekjaar en dat verweerder daarom op grond van artikel 4:84 Awb Pro en het evenredigheidsbeginsel had moeten afwijken van het beleid. Op de zitting beperkte zij haar beroep tot de vraag of de coronapandemie bijzondere omstandigheden vormde die verlenging van het zoekjaar rechtvaardigden.

De rechtbank oordeelde dat eiseres onvoldoende concrete en onderbouwde gegevens had aangeleverd over haar sollicitatie-inspanningen en de impact van de pandemie op haar kansen op de arbeidsmarkt. Ook is artikel 3.58 Vreemdelingenbesluit 2000 een algemene maatregel van bestuur, waardoor artikel 4:84 Awb Pro niet van toepassing is. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

De rechtbank bevestigde daarmee dat de verblijfsvergunning zoekjaar maximaal twaalf maanden geldt en dat afwijking alleen mogelijk is bij aantoonbare bijzondere omstandigheden, die hier ontbraken.

Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van verlenging van de verblijfsvergunning zoekjaar wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummers: NL22.24143 (beroep) en NL22.24144 (voorlopige voorziening)

uitspraak van de enkelvoudige kamer/voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiseres], eiseres

V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. J.P. Sanchez Montoto),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. A.S. van den Anker).

Procesverloop

Bij besluit van 9 augustus 2022 (primaire besluit) heeft verweerder
de aanvraag van eiseres voor wijziging van het verblijfsdoel naar ‘arbeid in loondienst’ afgewezen;
verlenging van de verblijfsvergunning ‘het zoeken en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst’ (hierna: ‘zoekjaar’) van eiseres afgewezen; en
een terugkeerbesluit - gericht op vertrek naar Zambia - aan eiseres uitgereikt.
Bij besluit van 28 oktober 2022 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep (NL22.24143) ingesteld. Ook heeft eiseres de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening (NL22.24144) te treffen.
De rechtbank heeft het beroep op 26 april 2023 op zitting behandeld. Eiseres en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

Waar gaat deze zaak over?
1. Eiseres is geboren op [geboortedag] 1993 en heeft de Zambiaanse nationaliteit. Eiseres heeft na afronding van een universitaire studie in Nederland voor twaalf maanden een verblijfsvergunning onder de beperking ‘zoekjaar hoogopgeleide’ gehad. Na het verlopen van deze verblijfsvergunning heeft eiseres in het kader van een gecombineerde vergunning verblijf en arbeid (GVVA) zowel verlenging van de verblijfsvergunning ‘zoekjaar’ als wijziging naar de beperking ‘arbeid in loondienst’ aangevraagd. Eiseres heeft deze aanvraag gedaan, omdat zij bij een schoonmaakbedrijf genaamd ‘[bedrijfsnaam] B.V.’ (referent) wilde werken.
Wat heeft verweerder besloten?
2. De aanvraag tot wijziging naar het verblijfsdoel ‘arbeid in loondienst’ is bij het primaire besluit door verweerder afgewezen, omdat de op grond van het beleid [1] vereiste bewijsmiddelen niet door eiseres zijn overgelegd. Om deze redenen heeft verweerder geen arbeidsmarktadvies opgevraagd bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV). Verweerder heeft bij het primaire besluit ook de vergunning ‘zoekjaar’ niet verlengd, omdat deze vergunning op grond van de toepasselijke regelgeving [2] een maximale duur van twaalf maanden kent en na verloop daarvan niet verlengbaar is. In bezwaar heeft verweerder deze standpunten gehandhaafd.
Wat vindt eiseres in beroep?
3. Eiseres voert in beroep aan zij vanwege haar eerdere verblijfsvergunning ‘zoekjaar hoogopgeleide’ niet verplicht is om voor deze aanvraag ‘arbeid in loondienst’ een tewerkstellingsvergunning (TWV) te overleggen. Omdat zij niet TWV-plichtig is, dient voor deze aanvraag ook geen arbeidsmarktadvies bij het UWV gevraagd te worden. Daarnaast vindt eiseres dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de gevolgen van de coronacrisis voor haar positie op de arbeidsmarkt. Door de coronapandemie heeft eiseres feitelijk geen gebruik kunnen maken van de tijdelijke verblijfsvergunning en het daarbij gegeven zoekjaar. Vanwege deze bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het evenredigheidsbeginsel had verweerder de aanvraag ‘arbeid in loondienst’ niet mogen afwijzen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. Op de zitting heeft de gemachtigde van eiseres aangegeven dat geen oordeel meer gevraagd wordt over de eerste beroepsgrond gericht tegen de afwijzing van de aanvraag tot wijziging naar het verblijfsdoel ‘arbeid in loondienst’. Enkel in geschil tussen partijen is nog of verweerder vanwege de bijzondere omstandigheden van de coronapandemie op grond van artikel 4:84 van Pro de Awb had moeten afwijken van artikel 3.58, eerste lid, aanhef en onder n, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) en dusdoende de verblijfsvergunning ‘zoekjaar’ voor een jaar had moeten verlengen. Niet afwijken van deze regel is volgens eiseres in strijd met het evenredigheidsbeginsel.
5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder op goede gronden de afwijzing van de aanvraag tot verlenging van de verblijfsvergunning ‘zoekjaar’ bij het bestreden besluit gehandhaafd. De stelling dat eiseres door de coronapandemie feitelijk geen gebruik heeft kunnen maken van haar verblijfsvergunning ‘zoekjaar’ is niet met stukken onderbouwd en zij maakt daarbij niet concreet op welke wijze de coronapandemie het onmogelijk heeft gemaakt om in deze periode passend werk te vinden. Niet duidelijk is of en zo ja, hoeveel eiseres gedurende de coronapandemie gesolliciteerd heeft naar banen passend bij haar opleidingsniveau. Ook heeft eiseres niet met stukken of cijfers onderbouwd waarom verweerder enkel vanwege de coronapandemie al gehouden was om ten gunste van eiseres af te wijken van de regel dat de verblijfsvergunning voor een zoekjaar voor maximaal twaalf maanden wordt verleend. Weliswaar is duidelijk dat de coronapandemie de economie en de arbeidsmarkt heeft beïnvloed, maar dit neemt niet weg dat in dit verband grote verschillen bestaan tussen verschillende beroepsgroepen. Zonder specifieke gegevens kan daarom niet worden vastgesteld hoe de pandemie van invloed is geweest op de kansen van eiseres op de arbeidsmarkt. Bovendien geldt dat artikel 3.58 van het Vb 2000 geen beleidsregel in de zin van artikel 1:3, vierde lid, van de Awb is, maar een algemene maatregel van bestuur, zodat de afwijkingsbevoegdheid van artikel 4:84 van Pro de Awb niet van toepassing is. Deze beroepsgrond slaagt dan ook niet.
6. Voor zover eiseres op grond van dezelfde omstandigheden heeft betoogd dat deze regelgeving in haar geval buiten toepassing moet worden gelaten wegens strijd met het evenredigheidsbeginsel, volgt de rechtbank dit evenmin. Hiervoor is immers ook noodzakelijk dat inzicht gegeven wordt in de omstandigheden die maken dat de gevolgen van de afwijzing van haar aanvraag tot verlenging van de verblijfsvergunning niet evenredig zijn in verhouding tot het met de betreffende regelgeving uit het Vb 2000 te dienen doel. Eiseres heeft dit inzicht niet gegeven, zoals ook al uit de voorgaande overweging blijkt. De beroepsgrond slaagt niet.
7. Verweerder heeft daarom geen aanleiding hoeven zien om tot verlenging van de verblijfsvergunning ‘zoekjaar hoogopgeleide’ over te gaan en heeft op goede gronden het bezwaar ongegrond verklaard.
Wat is de conclusie?
8. Het beroep is ongegrond.
9. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan inzake het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit [3] .
10. Verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. D. Biever, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M.J.J. Roks, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met de uitspraak op het beroep, kunt u een brief sturen naar de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een hogerberoepschrift. U moet dit hogerberoepschrift indienen binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
U ziet deze datum hierboven.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening is geen hoger beroep of verzet mogelijk.

Voetnoten

1.Zie paragraaf B5/2.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000).
2.Zie artikel 3.58, eerste lid, onderdeel n van het Vreemdelingenbesluit 2000.
3.Op grond van artikel 8:81 en Pro artikel 8:83, derde lid, van de Awb.