ECLI:NL:RBDHA:2023:7802
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen weigering asielaanvraag op grond van Dublinverordening
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling te nemen. Dit besluit is gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 en de Dublinverordening, waarbij Nederland heeft vastgesteld dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.
Eiser voert aan niet terug te willen naar Duitsland vanwege eerdere detentie en mogelijke problemen daar. De rechtbank interpreteert dit als een beroep op artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening, dat uitzonderingen kan maken op de overdracht. De rechtbank oordeelt echter dat de door eiser aangevoerde omstandigheden niet zodanig bijzonder of individueel zijn dat een uitzondering gerechtvaardigd is.
De rechtbank volgt de Staatssecretaris in de beoordeling dat geen sprake is van een onevenredige hardheid die overdracht naar Duitsland zou verhinderen. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling.