Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
1.[verzoekende partij sub 1] ,
SARABEL B.V.,
Rechtbank Den Haag
Verzoekers legden conservatoir bewijsbeslag ten laste van gerekestreerde en maakten binnen de gestelde termijn een kort geding als hoofdzaak aanhangig. Vervolgens verzochten zij om verlenging van de termijn tot het einde van het jaar om mogelijk additionele bodemprocedures te starten. De voorzieningenrechter oordeelde dat het verleende verlof tot beslaglegging en de daaraan verbonden termijn strikt moeten worden uitgelegd en dat het verlof zijn doel had gediend na het leggen van het beslag.
De voorzieningenrechter wees het verzoek tot verlenging af omdat de ratio van artikel 700 lid 3 Rv Pro niet toestaat dat de termijn wordt verlengd om additionele procedures mogelijk te maken. Verzoekers hadden binnen de gestelde termijn ook een bodemprocedure kunnen starten, maar kozen ervoor alleen een kort geding aanhangig te maken. Dit was een bewuste keuze die voor hun rekening en risico kwam.
De beslissing bevestigt dat eenmaal verleend verlof tot beslaglegging en de termijn voor het instellen van de hoofdzaak niet onbeperkt kunnen worden verlengd, mede in het belang van de gerekwestreerde die snel in rechte moet worden betrokken. Het verzoek tot termijnverlenging werd daarom afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek tot verlenging van de termijn voor het instellen van de hoofdzaak na conservatoir bewijsbeslag is afgewezen.