In deze bestuursrechtelijke zaak beoordeelt de rechtbank Den Haag het beroep van eiser tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om eiser in bewaring te stellen op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
De zitting vond plaats op 30 mei 2023, waarbij eiser afstand deed van zijn recht om aanwezig te zijn. De rechtbank heeft ambtshalve de rechtmatigheid van de maatregel getoetst, aangezien eiser zelf geen beroepsgronden aanvoerde.
De rechtbank concludeert dat op basis van de beschikbare gegevens geen reden bestaat om te twijfelen aan de rechtmatigheid van de inbewaringstelling. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Tenslotte is gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen een week na verzending van deze uitspraak.