Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 juni 2023
in de zaak tussen
[eiseres 1] , v-nummer: [nummer 1] , eiseres 1 (hierna: moeder),
,
Rechtbank Den Haag
Eisers, bestaande uit de moeder, vader en oma van de referente, allen met Iraanse nationaliteit, hebben verzocht om visa voor kort verblijf om de referente in Nederland te bezoeken. De minister van Buitenlandse Zaken wees deze aanvragen af op 23 augustus 2022 en handhaafde dit besluit bij bezwaar op 31 januari 2023.
De rechtbank toetst of de minister het besluit in redelijkheid heeft kunnen nemen en oordeelt dat eisers onvoldoende hebben aangetoond dat het verblijf daadwerkelijk voor familiebezoek is en dat zij tijdig zullen terugkeren naar Iran. Hoewel eerdere Schengenvisa werden erkend, weegt de minister terecht mee dat de ouders in 2018 een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) hebben aangevraagd met het doel zich permanent te vestigen.
Eisers voerden aan dat de verslechterde situatie in Iran voor hen niet relevant is en dat de medische situatie van de moeder het bezoek noodzakelijk maakt. De rechtbank stelt echter dat deze omstandigheden onvoldoende zijn onderbouwd en dat de minister niet hoefde uit te gaan van bijzondere omstandigheden op grond van artikel 8 EVRM Pro die een positief verblijfsrecht zouden rechtvaardigen.
Ook de stelling dat gelijke gevallen anders zijn behandeld, wordt verworpen omdat de situatie van eisers niet vergelijkbaar is met die van andere Iraanse kennissen. Ten aanzien van de oma is geoordeeld dat de afwijzing niet uitsluitend op leeftijd berust, maar op onvoldoende aannemelijkheid van tijdige terugkeer. De vordering tot toekenning van een dwangsom wegens te late beslissing wordt afgewezen omdat het bezwaar kennelijk ongegrond is.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst de proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de visumaanvragen voor kort verblijf wordt ongegrond verklaard.