In deze bestuursrechtelijke zaak beoordeelt de rechtbank Den Haag het beroep van eiser tegen de maatregel van bewaring opgelegd door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet 2000.
Eiser stelde dat de staatssecretaris had moeten volstaan met een lichter middel omdat hij had aangegeven zelfstandig naar Duitsland te willen vertrekken en zich niet aan het toezicht had onttrokken. De staatssecretaris baseerde de bewaring op zware en lichte gronden die wijzen op een significant risico dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
De rechtbank oordeelt dat de staatssecretaris terecht geen lichtere maatregel heeft toegepast gezien de omstandigheden, waaronder het niet nakomen van meldplicht in 2017 en het langdurig illegaal verblijf in verschillende Europese landen. De ambtshalve toetsing bevestigt dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden is voldaan.
Daarom verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.