Eiser, een Poolse gemeenschapsonderdaan, werd aangehouden wegens winkeldiefstal en overlast, waarna de politie twijfels kreeg over zijn rechtmatig verblijf in Nederland. Verweerder stelde vast dat eiser niet voldeed aan de voorwaarden voor rechtmatig verblijf op grond van het Unierecht en legde een vertrektermijn van 28 dagen op.
Eiser voerde aan dat de procedure onzorgvuldig was, dat hij rechtmatig verblijf had op basis van arbeid en duurzaam verblijf, en dat de belangenafweging onjuist was. De rechtbank oordeelde dat eiser voldoende gelegenheid had gekregen om zijn zienswijze te geven, dat het onderzoek door de politie gerechtvaardigd was, en dat eiser niet voldeed aan de voorwaarden voor rechtmatig verblijf als economisch actieve of niet-actieve gemeenschapsonderdaan.
De rechtbank verwierp ook het beroep op duurzaam verblijf vanwege een onderbreking van meer dan zes maanden in Nederland. De belangenafweging van verweerder werd als zorgvuldig beoordeeld, waarbij de banden van eiser met Polen zwaarder wogen dan zijn beperkte binding met Nederland.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.