ECLI:NL:RBDHA:2023:8259
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- J. Boerlage - van den Bosch
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaring beroep tegen voortduren maatregel van bewaring vreemdeling
De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van een vreemdeling tegen het voortduren van de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel was reeds driemaal eerder getoetst en werd toen als rechtmatig beoordeeld.
De vreemdeling stelde dat er geen zicht was op uitzetting naar Marokko, omdat er geen reactie was gekomen op de laissez-passer-aanvraag en hij niet was gepresenteerd aan de Marokkaanse autoriteiten. Tevens stelde hij dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend handelde. De staatssecretaris voerde aan dat er regelmatig rappelleren en vertrekgesprekken plaatsvonden en dat een presentatie gepland was. Ook was de identiteit en nationaliteit vastgesteld, hoewel de vreemdeling niet volledig meewerkte.
De rechtbank concludeerde dat de staatssecretaris voldoende voortvarend had gehandeld, met meerdere rappels en vertrekgesprekken sinds het sluiten van het onderzoek. Er waren geen aanwijzingen dat de Marokkaanse autoriteiten niet zouden overgaan tot afgifte van de laissez-passer. De vreemdeling werkte niet volledig mee aan zijn terugkeer. Gezien deze feiten was het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn aanwezig en was het voortduren van de bewaring rechtmatig.
Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak stond geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard.