Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2023:8340

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 maart 2023
Publicatiedatum
9 juni 2023
Zaaknummer
AWB 22 / 6496
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:17 AwbArt. 4:18, eerste lid, AwbArt. 8:55c AwbArt. 8:55d, tweede lid, AwbArt. 8:57 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gegrond beroep wegens niet tijdig beslissen op bezwaarschrift met oplegging dwangsommen

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaarschrift bij de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Partijen zijn het erover eens dat het beroep gegrond is. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn van twee weken is verstreken zonder dat verweerder een besluit heeft genomen.

De rechtbank bepaalt de hoogte van de dwangsom conform artikel 8:55c van de Awb, aangezien verweerder deze niet heeft vastgesteld. Omdat meer dan 42 dagen zijn verstreken sinds de ingebrekestelling, bedraagt de dwangsom het maximale bedrag van €1.442,-. Verweerder wordt opgedragen binnen twee weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit te nemen.

Voor het geval verweerder deze termijn overschrijdt, wordt een aanvullende dwangsom van €100,- per dag met een maximum van €7.500,- opgelegd. Daarnaast wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten van eiser. De uitspraak is gedaan zonder zitting en in het openbaar bekendgemaakt op 23 maart 2023.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en verweerder wordt opgedragen binnen twee weken alsnog te beslissen, met oplegging van dwangsommen bij overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 22/6496
V-nummer: [V-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: R.C. de Goede).

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaarschrift.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Eiser heeft hierop gereageerd.
Partijen hebben desgevraagd niet kenbaar gemaakt dat zij op een zitting willen worden gehoord. De rechtbank doet uitspraak zonder een zitting te houden. [1]

Overwegingen

1. Partijen zijn het erover eens dat het beroep gegrond is. De rechtbank gaat daarvan uit. De rechtbank moet zich uitlaten over de gevraagde dwangsommen en een nadere beslistermijn bepalen.
2. Als een beschikking niet op tijd wordt genomen, is het bestuursorgaan een dwangsom verschuldigd voor elke dag (vanaf de vijftiende dag na ontvangst van de ingebrekestelling) dat het in gebreke is voor ten hoogste 42 dagen. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23,- per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35,- per dag en de overige dagen € 45,- per dag. [2] Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom verschuldigd was. [3]
3. Verweerder heeft de hoogte van de dwangsom niet vastgesteld. De rechtbank doet dit met toepassing van artikel 8:55c van de Awb alsnog. Eiser heeft verweerder op
6 juli 2022 in gebreke gesteld. Dit betekent dat verweerder, gelet op artikel 4:17 van Pro de Awb, tot uiterlijk 20 juli 2022 een besluit kon nemen, zonder een dwangsom te verbeuren. Omdat vanaf 21 juli 2022 meer dan 42 dagen als bedoeld in artikel 4:17 van Pro de Awb zijn verstreken, bedraagt de door verweerder verschuldigde dwangsom het maximale bedrag van € 1.442,-.
4. Verweerder heeft in zijn verweerschrift van 6 februari 2023 verzocht om een beslistermijn van acht weken. Het is onduidelijk of nader onderzoek moet worden gedaan, mogelijk in de vorm van een gehoor.
5. De rechtbank ziet aanleiding om aan verweerder een beslistermijn van twee weken op te leggen. Nu de door verweerder voorgestelde termijn van acht weken op
3 april 2023 verstrijkt, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder op te dragen om zo snel mogelijk op het bezwaarschrift te beslissen, maar uiterlijk binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak. Dit betekent dat verweerder uiterlijk binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend moet maken.
6. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb en in overeenstemming met het landelijke beleid (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl) dat verweerder een dwangsom van € 100,- is verschuldigd voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van
€ 7.500,-.
7. Nu het beroep gegrond is, volgt uit artikel 8:74, eerste lid, van de Awb dat verweerder het betaalde griffierecht moet vergoeden.
8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten in verband met de behandeling van zijn beroep redelijkerwijs hebben gemaakt. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 418,50 (1 punt voor het indienen van de beroepschriften met een waarde per punt van € 837,- en een wegingsfactor 0,5).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- stelt vast dat verweerder als gevolg van het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift een dwangsom heeft verbeurd van in totaal € 1.442,-;
- draagt verweerder op
uiterlijk binnen twee wekenna de dag van verzending van deze uitspraak een besluit op het bezwaarschrift te nemen;
- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500,-;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 184,- aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 418,50.
.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Greebe, rechter, in aanwezigheid van
E.P.W. Kwakman, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2023.
griffier
rechter
Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.De rechtbank doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Artikel 4:17 van Pro de Awb
3.Artikel 4:18, eerste lid, van de Awb