ECLI:NL:RBDHA:2023:8378

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 mei 2023
Publicatiedatum
9 juni 2023
Zaaknummer
c/09/647353 / JE RK 23-973
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beschikking tot machtiging uithuisplaatsing minderjarige na spoedmachtiging

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om een machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, die sinds april 2023 onder voorlopige ondertoezichtstelling staat. Na een periode van schijnbare gedragsverbetering keerde het problematische gedrag terug, met escalaties en geweld naar de moeder toe. De moeder was overbelast en de vader kon de zorg niet overnemen.

De kinderrechter behandelde het verzoek op 25 mei 2023 en concludeerde dat de uithuisplaatsing noodzakelijk is om de minderjarige te laten meewerken aan de benodigde hulpverlening, waaronder een detoxbehandeling bij de Brijder. De minderjarige heeft spijt betuigd en wil meewerken, maar dit lukt niet in de thuissituatie.

De machtiging wordt verleend voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling tot 4 juli 2023, met onmiddellijke uitvoerbaarheid. Zowel de ouders als de minderjarige stemmen in met het verzoek. Het doel is om de minderjarige in een veilige omgeving te laten verblijven waar professionele hulpverlening kan worden gegarandeerd.

Uitkomst: Machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige tot 4 juli 2023 met onmiddellijke uitvoerbaarheid wordt verleend.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/09/647353 / JE RK 23-973
Datum uitspraak: 25 mei 2023
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing na spoedmachtiging
in de zaak van

Raad voor de Kinderbescherming,

Regio Haaglanden, hierna te noemen: de Raad.
Betreffende:

[minderjarige01] , geboren op [geboortedatum01] 2007 te [geboorteplaats01] ,

hierna te noemen: [minderjarige01] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de man01] ,

hierna te noemen: de vader,
wonende te [woonplaats01] ,

[de vrouw01] ,

hierna te noemen: de moeder,
wonend op een bij de rechtbank bekend adres.

Het procesverloop

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoek van de Raad van 16 mei 2023.
Op 25 mei 2023 heeft de kinderrechter de zaak tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren behandeld.
Verschenen zijn:
- [naam01] namens de Raad;
- [naam02] namens de gecertificeerde instelling.
De vader en de moeder zijn conform de wettelijke vereisten opgeroepen, maar hebben per mail aangegeven akkoord te gaan met het verzoek van de Raad en niet aanwezig te zullen zijn bij de zitting.
[minderjarige01] heeft via een mail laten weten dat hij spijt heeft van wat er is gebeurd, dat hij wil meewerken aan de hulpverlening en dat hij hoopt dat hij snel weer naar huis en naar school kan.

De feiten

Op 4 april 2023 heeft de kinderrechter in deze rechtbank mondeling (buiten kantooruren) beslist dat:
- [minderjarige01] van 4 april 2023 tot 5 april 2023, 17.00 uur, voorlopig onder toezicht is gesteld van de gecertificeerde instelling.
- deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad is.
- de behandeling van het verzoek voor het overige is aangehouden tot het verzoek, met nadere onderbouwing, schriftelijk bij de rechtbank is ingediend.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 5 april 2023 door middel van een spoedvoorziening [minderjarige01] voorlopig onder toezicht gesteld van 5 april 2023 tot 17 april 2023 en het verzoek voor het overige aangehouden tot deze zitting.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 13 april 2023 [minderjarige01] voorlopig onder toezicht gesteld van 17 april 2023 tot 4 juli 2023.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 16 mei 2023 een spoed machtiging verleend [minderjarige01] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 26 mei 2023, met aanhouding van het overige deel van het verzoek.
[minderjarige01] verblijft nu feitelijk in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder.

Het verzoek

De Raad verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige01] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Aan het verzoek ligt het volgende ten grondslag.
Na het uitspreken van de voorlopige ondertoezichtstelling heeft [minderjarige01] een korte periode vooruitgang laten zien in zijn gedrag, waarbij hij half april zelfstandig is gestopt met blowen en anderhalve week lang naar zijn dagbesteding is geweest bij [naam03] . [minderjarige01] vond de Detox bij de Brijder niet nodig, omdat hij zelfstandig kon stoppen met blowen. In de meivakantie van 2023 zijn de problemen op het gebied van zijn emotieregulatie en het blowen weer teruggekeerd. Op 14 mei 2023 is de situatie bij de moeder thuis geëscaleerd, waarbij [minderjarige01] de moeder 3 stompen op de rug gegeven zou hebben en vernielingen in het huis heeft aangebracht. [minderjarige01] heeft vervolgens zijn excuses aangeboden en gezegd spijt te hebben van zijn gedrag. De moeder heeft, in naleving van de met de wijkagent gemaakte veiligheidsafspraken, de politie ingeschakeld en aangifte gedaan. De Raad en de gecertificeerde instelling zien al een langere tijd een patroon bij [minderjarige01] , waar er sprake is van escalaties en emotionele uitbarstingen, maar waar [minderjarige01] pas achteraf de ernst van de situatie doorheeft. Dit heeft doorwerking in het inzien van het belang van het accepteren van hulpverlening en het daadwerkelijk doorgang laten vinden van deze hulpverlening. De moeder is overbelast en de vader heeft aangegeven dat het niet mogelijk is om [minderjarige01] bij hem te laten wonen. De Raad en de gecertificeerde instelling vinden dat een uithuisplaatsing van [minderjarige01] nu noodzakelijk is zodat een jeugdbeschermer actief bij hem betrokken is en kan zorgen dat de benodigde hulpverlening en de Detox bij de Brijder daadwerkelijk doorgang vinden.

Het standpunt van de belanghebbenden

De vader, de moeder en [minderjarige01] zijn het eens met het verzoek van de Raad.

De beoordeling

Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige01] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding (artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek).
Er bestaan al een geruime tijd zorgen over de opvoedsituatie en de kind-eigen problematiek van [minderjarige01] . Na het uitspreken van de voorlopige ondertoezichtstelling op 13 april 2023 leek [minderjarige01] gemotiveerd te zijn om te stoppen met blowen en om te werken aan een dagbesteding. In de afgelopen periode is echter gebleken dat er geen duurzame verbetering van de situatie heeft plaatsgevonden. De situatie bij de moeder thuis is opnieuw geëscaleerd, waarbij [minderjarige01] geweld heeft gebruikt naar zijn moeder toe. [minderjarige01] heeft aangegeven spijt te hebben van zijn acties en graag hulpverlening te willen accepteren, maar tot op heden is gebleken dat dit hem niet lukt in het vrijwillige kader en wanneer hij thuis woont. De kinderrechter oordeelt daarom dat de uithuisplaatsing van [minderjarige01] voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling noodzakelijk is om te zorgen dat [minderjarige01] nu echt de ernst van de situatie inziet en gemotiveerd blijft om de benodigde hulpverlening te accepteren. De kinderrechter onderstreept daarbij dat het in zijn belang is dat [minderjarige01] mee zal werken aan de Detox bij de Brijder en dat er vanuit daar kan worden uitgezocht waar [minderjarige01] langdurig kan verblijven om te werken aan zijn problematiek.

De beslissing

De kinderrechter:
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige01] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 26 mei 2023 tot 4 juli 2023, zijnde de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. E.M.M. Engbers, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 25 mei 2023, in aanwezigheid van M. van Leeuwen als griffier.
De schriftelijke vastlegging van deze beschikking is vastgesteld op 6 juni 2023.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.