Eiser, eigenaar van een winkelpand met een verhuurbare vloeroppervlakte van circa 39 m², betwistte de door verweerder vastgestelde WOZ-waarde van €129.000 per 1 januari 2020. Eiser stelde een lagere waarde van €97.000 voor, gebaseerd op een huurwaarde van €10.740 en een kapitalisatiefactor van 9,1, en voerde aan dat de invloed van de COVID-19-pandemie onvoldoende was verwerkt.
Verweerder onderbouwde de waarde met een taxatierapport waarin de huurwaardekapitalisatiemethode werd toegepast, met een huurwaarde van €11.700 en een kapitalisatiefactor van 12,6, resulterend in een waarde van €147.000. De rechtbank oordeelde dat verweerder de huurwaarde niet aannemelijk had gemaakt vanwege onvoldoende inzicht in vergelijkingsobjecten, maar achtte de kapitalisatiefactor wel passend.
De rechtbank stelde de waarde vast op €135.324, gebaseerd op de door eiser bepleite huurwaarde en de door verweerder gehanteerde kapitalisatiefactor. Het beroep werd ongegrond verklaard. De rechtbank wees het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens geringe overschrijding van de redelijke termijn af, omdat de vergoeding aan de gemachtigde toekomt en niet aan eiser.