ECLI:NL:RBDHA:2023:8511
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bij intrekking verblijfsvergunning
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen de intrekking van zijn verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd en de afwijzing van zijn aanvraag tot verlenging daarvan. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft dit bezwaar opnieuw ongegrond verklaard bij besluit van 18 november 2022. Verzoeker stelde beroep in en vroeg daarnaast de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen, waarmee de rechtsgevolgen van het bestreden besluit zouden worden geschorst totdat op het beroep is beslist.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening zonder zitting behandeld en geoordeeld dat nu de rechtbank op het hoofdberoep heeft beslist, een voorlopige voorziening niet langer nodig is. Daarom is het verzoek als kennelijk ongegrond afgewezen.
Daarnaast is de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de door verzoeker gemaakte proceskosten van € 837,- en het betaalde griffierecht van € 184,-. De proceskosten zijn vastgesteld op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor beroepsmatige rechtsbijstand.
De uitspraak is gedaan door de voorzieningenrechter J.E.C. Vriends en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.