ECLI:NL:RBDHA:2023:8566
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bij afgewezen verblijfsvergunning
Verzoeker heeft een aanvraag gedaan voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, welke op 11 april 2022 door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is afgewezen. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit primaire besluit en vroeg tevens om een voorlopige voorziening.
De staatssecretaris heeft het bezwaar inmiddels behandeld en besloten, waardoor er geen bezwaar meer aanhangig is. De voorzieningenrechter beoordeelt het verzoek om voorlopige voorziening op basis van artikel 8:83, derde lid, Awb, en wijst dit af omdat het beroep tegen het besluit reeds is behandeld in een andere procedure (zaaknummer AWB 22/4440).
De rechtbank oordeelt dat het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk ongegrond is en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het bezwaar is behandeld en het beroep is beslist.