ECLI:NL:RBDHA:2023:8567
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening na bezwaar tegen afwijzing verblijfsvergunning
Verzoeker heeft een aanvraag gedaan voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is afgewezen bij besluit van 7 juli 2022. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit primaire besluit en verzocht tevens om een voorlopige voorziening. Nadat de staatssecretaris op het bezwaar heeft beslist bij besluit van 8 september 2022, is het bezwaar niet meer aanhangig.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een voorlopige voorziening beoordeeld zonder zitting, conform artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Gezien het feit dat het bezwaar reeds is afgehandeld en dat de rechtbank bij uitspraak in een gerelateerde zaak (nummer AWB 22/5643) het beroep heeft behandeld, is het verzoek om voorlopige voorziening als kennelijk ongegrond afgewezen.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open, waarmee de beslissing definitief is.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het bezwaar niet meer aanhangig is en het beroep reeds is behandeld.