ECLI:NL:RBDHA:2023:8611
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatig verblijf op grond van Unierecht en weigering beroep tegen verwijderingsbesluit
Eiseres, met de Poolse nationaliteit, kwam in de zomer van 2021 naar Nederland en was geregistreerd als niet-ingezetene. Na meerdere politiecontacten, waaronder een aanhouding wegens mishandeling in september 2022, stelde de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid vast dat zij geen rechtmatig verblijf meer had op grond van het Unierecht.
Eiseres voerde aan dat zij in september en oktober 2022 arbeid had verricht en als werkzoekende moest worden aangemerkt. De rechtbank oordeelde dat de verrichte arbeid niet voldeed aan de criteria van reële en daadwerkelijke arbeid, omdat zij minder dan 40% van de normale arbeidsduur werkte en minder verdiende dan 50% van de toepasselijke bijstandsnorm. Tevens was niet gebleken dat zij werk zocht of een reële kans op werk had.
Verder stelde eiseres dat de vertrektermijn van een maand in strijd was met de Verblijfsrichtlijn, maar de rechtbank concludeerde dat de termijn conform de richtlijn was en geen aanvullende motivering behoefde.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot beëindiging van het rechtmatig verblijf wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.