ECLI:NL:RBDHA:2023:8622

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
31 mei 2023
Publicatiedatum
14 juni 2023
Zaaknummer
NL23.11410
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 30 Vreemdelingenwet 2000
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening tegen overdracht aan Zwitserland in Dublinprocedure

Verzoekster heeft tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid beroep ingesteld omdat haar aanvraag om een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling werd genomen, met de reden dat Zwitserland verantwoordelijk is voor de behandeling volgens de Dublinverordening.

De voorzieningenrechter overweegt dat verzoekster een spoedeisend belang heeft bij het afwachten van de beroepsprocedure in Nederland, omdat de overdrachtstermijn aan Zwitserland verstrijkt voordat de zitting plaatsvindt. Het belang van verzoekster weegt zwaarder dan dat van verweerder om de overdracht op dit moment uit te voeren.

Daarom wordt het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen, het bestreden besluit geschorst en bepaald dat verzoekster niet mag worden overgedragen totdat op het beroep is beslist. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot betaling van de proceskosten van verzoekster.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen en de overdracht aan Zwitserland wordt geschorst totdat op het beroep is beslist.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.11410

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoekster] , verzoekster,

v-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. B.J. Riesebos),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 13 april 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoekster om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen omdat Zwitserland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [1]
Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep (NL23.11409) ingesteld. Zij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting. [2] De rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, kan, als tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. [3] De voorzieningenrechter ziet aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken.
2. Uit het bestreden besluit volgt dat verzoekster de behandeling van het beroep niet in Nederland mag afwachten. Verzoekster heeft dan ook een spoedeisend belang bij de verzochte voorziening.
3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het belang van verzoekster om de behandeling van het beroep in Nederland te mogen afwachten zwaarder weegt dan het belang van verweerder om haar op dit moment aan Zwitserland te kunnen overdragen. Daar komt bij dat de beroepsprocedure meer tijd vergt. Het beroep wordt op de zitting van 20 juni 2023 behandeld, terwijl de uiterste overdrachtstermijn voor de zitting verstrijkt. De voorzieningenrechter weegt hierbij mee dat de uiterste overdrachtstermijn door deze uitspraak wordt gestuit.
5. De voorzieningenrechter wijst om die reden het verzoek om een voorlopige voorziening toe, schorst het bestreden besluit en bepaalt dat verzoekster niet mag worden overgedragen totdat op het beroep tegen het bestreden besluit is beslist.
6. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 837,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 837,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;
- bepaalt dat het bestreden besluit wordt geschorst en dat verzoekster niet mag worden overgedragen aan Zwitserland totdat is beslist op het beroep;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 837,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R. Kroes, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Zie artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
2.Op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.Zie artikel 8:81 van Pro de Awb.