ECLI:NL:RBDHA:2023:8643
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing VOG-aanvraag voor taxichauffeur wegens justitiële antecedenten
Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een verklaring omtrent gedrag (VOG) om als taxichauffeur te mogen werken. De minister voor Rechtsbescherming heeft deze aanvraag afgewezen op grond van diverse justitiële antecedenten, waaronder veroordelingen voor openlijke geweldpleging, verkeersdelicten, diefstal en brandstichting.
De rechtbank heeft het beroep van eiser behandeld en geoordeeld dat de minister terecht het objectieve criterium heeft toegepast, waarbij de gepleegde feiten, los van de persoon, een belemmering vormen voor het uitoefenen van de functie. De verkeersdelicten en geweldsdelicten wegen zwaar vanwege het risico voor passagiers en de samenleving.
Daarnaast heeft de minister het subjectieve criterium toegepast en geoordeeld dat het persoonlijke belang van eiser, zoals het afronden van zijn taxi-opleiding en het ondersteunen van zijn ouders, niet opweegt tegen het maatschappelijke belang van veiligheid. De rechtbank onderschrijft deze afweging en verklaart het beroep ongegrond.
Eiser voerde aan dat sommige feiten jeugdige onbezonnenheid betreffen en dat er geen recidivegevaar is, maar deze argumenten werden door de rechtbank verworpen. Ook de openstaande zaken en eerdere strafbeschikkingen werden meegewogen.
De rechtbank wijst het beroep af en veroordeelt eiser niet tot vergoeding van proceskosten of griffierecht.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de VOG-aanvraag wordt ongegrond verklaard.