ECLI:NL:RBDHA:2023:8750
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag verblijfsvergunning regulier op grond van EU-Turkije verdrag bevestigd
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van zijn aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor verblijf onder de beperking arbeid in loondienst, gebaseerd op het EU-Turkije verdrag. De staatssecretaris wees de aanvraag af en handhaafde dit besluit na bezwaar.
De rechtbank heeft het beroep behandeld zonder zitting omdat partijen geen zitting wensten. De kern van het geschil betreft de vraag of eiser rechten kan ontlenen aan artikel 10, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 1965 en of de afwijzing in strijd is met de standstillbepaling uit het Besluit 1/80.
De rechtbank oordeelt dat eiser geen verblijfsrecht meer heeft omdat de feitelijke gezinsband met zijn voormalige echtgenote is verbroken en het verblijfsrecht van rechtswege is vervallen. Het betoog van eiser dat hij rechten ontleent aan artikel 10, tweede lid, Vw 1965 faalt, mede omdat het huwelijk minder dan drie jaar heeft geduurd en hij niet voldoet aan de voorwaarden voor een zelfstandige verblijfsvergunning.
Ook het beroep op de standstillbepaling uit het Besluit 1/80 wordt verworpen omdat eiser dit niet voldoende heeft onderbouwd en slechts zijn eerdere bezwaarpunten herhaalt. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en laat het bestreden besluit in stand. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding en het griffierecht wordt niet teruggegeven.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard en het besluit van de staatssecretaris blijft in stand.