Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] eiser,
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
5. De bewaring wordt gehandhaafd zolang de in lid 1 bedoelde omstandigheden zich voordoen en zij noodzakelijk is om een geslaagde verwijdering te garanderen. Iedere lidstaat stelt een maximale bewaringsduur vast die niet meer dan zes maanden mag bedragen.
6. De lidstaten kunnen de in lid 5 bedoelde termijn overeenkomstig de nationale wetgeving slechts in beperkte mate en ten hoogste met nog eens twaalf maanden verlengen indien de verwijdering, alle redelijke inspanningen ten spijt, wellicht meer tijd zal vergen, omdat:
1 Indien het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid zulks vordert kan, met het oog op de uitzetting, door Onze Minister in bewaring worden gesteld de vreemdeling die:
(…)
4 Bewaring krachtens het eerste lid, onder b, of het tweede lid duurt in geen geval langer dan vier weken.(…)
5 Onverminderd het vierde lid duurt de bewaring krachtens het eerste lid niet langer dan zes maanden.
6 In afwijking van het vijfde lid en onverminderd het vierde lid kan de bewaring krachtens het eerste lid ten hoogste met nog eens twaalf maanden worden verlengd, indien de uitzetting, alle redelijke inspanningen ten spijt, wellicht meer tijd zal vergen, op grond dat de vreemdeling niet meewerkt aan zijn uitzetting of de daartoe benodigde documentatie uit derde landen nog ontbreekt.
de staatssecretaris, als hij de bewaring wil laten voortduren, reeds voor het verstrijken van de in de wet vastgelegde termijn van zes maanden moet vaststellen dat aan de wettelijke grondslag voor het verlengen van de bewaringsmaatregel is voldaan” (ECLI:NL:RVS:2018:194).
Beslissing
- verklaart het beroep tegen het verlengingsbesluit gegrond;
- beveelt de onmiddellijke opheffing van de maatregel van bewaring;
- gelast de onmiddellijke invrijheidstelling van eiser;
- acht de tenuitvoerlegging van de bewaringsmaatregel in de periode vanaf de sluiting van het onderzoek bij de laatste rechtmatigheidsbeoordeling tot aan het nemen van het verlengingsbesluit rechtmatig;
- wijst het verzoek om schadevergoeding toe en veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 375,-, te betalen door de griffier;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 837,-.