ECLI:NL:RBDHA:2023:8840

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 juni 2023
Publicatiedatum
20 juni 2023
Zaaknummer
NL21.19674
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Verzet
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 8:54 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen uitspraak bestuursrechtelijke procedure inzake vreemdelingenrecht afgewezen

Opposante heeft verzet ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 20 februari 2023, waarin het beroep tegen twee besluiten van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid deels gegrond werd verklaard. De rechtbank had verweerder veroordeeld in de proceskosten van opposante, maar geen vergoeding toegekend voor de in bezwaar gemaakte proceskosten.

In het verzet stelt opposante dat de rechtbank onterecht geen vergoeding van de in bezwaar gemaakte proceskosten heeft toegekend en dat het griffierecht vergoed had moeten worden. De rechtbank heeft op 5 juni 2023 een hersteluitspraak gedaan waarin het dictum werd aangepast zodat het griffierecht van €181,- vergoed moest worden.

De rechtbank oordeelt dat het verzet tegen de griffierechtvergoeding niet-ontvankelijk is wegens gebrek aan procesbelang en dat het verzet tegen de proceskostenveroordeling ongegrond is, omdat de eerdere motivering standhoudt. Er is geen aanleiding om de eerdere uitspraak te wijzigen.

De uitspraak is gedaan door rechter W. Anker en griffier A.J.J. Sterks en is definitief; hoger beroep of verder verzet is niet mogelijk.

Uitkomst: Het verzet tegen de griffierechtvergoeding is niet-ontvankelijk en het verzet tegen de proceskostenveroordeling ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL21.19674

uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van

[naam] , opposante

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. A.A. van Harmelen).

Procesverloop

Opposante heeft tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (verweerder) van 19 november 2021 (bestreden besluit I) beroep ingesteld. Op grond van artikel 6:19 van Pro de Awb [1] was het beroep van opposante mede gericht tegen het besluit van verweerder van 17 maart 2022 (bestreden besluit II).
Bij uitspraak van 20 februari 2023 heeft de rechtbank onder meer het beroep gegrond verklaard en verweerder veroordeeld in proceskosten die opposante heeft gemaakt. [2]
Opposante heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld.
Opposante heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.

Overwegingen

1. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Awb biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk gegrond geacht. Er is geen aanleiding gezien verweerder te veroordelen in de proceskosten die opposante in bezwaar heeft gemaakt. Ook het verzoek van opposante om schadevergoeding is afgewezen. De rechtbank heeft verweerder veroordeeld in de proceskosten van opposante ter hoogte van € 837,-.
2. Opposante voert tegen de uitspraak van de rechtbank aan dat de vaststelling dat bestreden besluit I onrechtmatig was, had dienen te leiden tot een veroordeling van verweerder in de door haar in bezwaar gemaakte proceskosten. Dit is volgens opposante ten onrechte en ongemotiveerd niet gebeurd. Verder stelt opposante dat de rechtbank in de uitspraak had moeten bepalen dat verweerder het door haar betaalde griffierecht ter hoogte van € 181,- had moeten vergoeden.
De rechtbank oordeelt als volgt.
3. Op 5 juni 2023 heeft de rechtbank een hersteluitspraak gedaan. Het dictum van de uitspraak van 20 februari 2023 is daarbij hersteld, in die zin dat bepaald is dat verweerder het door opposante betaalde griffierecht ter hoogte van € 181,- dient te vergoeden. Het verzet zal in zoverre niet-ontvankelijk verklaard worden, wegens het ontbreken van procesbelang.
4. Voor wat betreft de stelling van opposante dat zij aanspraak maakt op vergoeding van de door haar in bezwaar gemaakte proceskosten, verwijst de rechtbank naar overweging 8 tot en met 10 van de uitspraak van 20 februari 2023. Daarin is gemotiveerd uiteengezet waarom er geen aanleiding is gezien verweerder in die proceskosten te veroordelen. In wat opposante heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen reden om tot een ander oordeel te komen. In zoverre is het verzet dan ook ongegrond.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het verzet voor wat betreft het door verweerder te vergoeden griffierecht niet-ontvankelijk;
  • verklaart het verzet voor zover gericht tegen de proceskostenveroordeling ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Anker, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J.J. Sterks, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Algemene wet bestuursrecht.