ECLI:NL:RBDHA:2023:8894
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening na bezwaar tegen afwijzing verblijfsvergunning
Verzoeker heeft een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingediend, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is afgewezen bij besluit van 13 mei 2022.
Verzoeker maakte bezwaar tegen deze afwijzing en vroeg tevens om een voorlopige voorziening. De staatssecretaris heeft het bezwaar op 26 juli 2022 inhoudelijk behandeld en beslist, waardoor er geen bezwaar meer aanhangig is.
De voorzieningenrechter oordeelt dat op grond van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht een verzoek om voorlopige voorziening alleen mogelijk is indien er een bezwaar of beroep aanhangig is. Nu dat niet het geval is, wordt het verzoek afgewezen als kennelijk ongegrond. Tevens is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
De uitspraak is gedaan zonder zitting en er staat geen rechtsmiddel tegen open.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt als kennelijk ongegrond afgewezen omdat het bezwaar reeds is afgehandeld.