Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
[naam], verzoekster,
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
www.rechtspraak.nl.
Rechtbank Den Haag
Verzoekster heeft een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het verblijfsdoel 'familie en gezin' ingediend, welke op 8 oktober 2021 door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is afgewezen. Het bezwaar van verzoekster tegen deze afwijzing is op 19 oktober 2022 ongegrond verklaard. Vervolgens heeft verzoekster beroep ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.
Op 5 april 2023 heeft verzoekster het verzoek om een voorlopige voorziening ingetrokken en daarbij verzocht om de staatssecretaris te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten. De voorzieningenrechter heeft de staatssecretaris in de gelegenheid gesteld hierop te reageren en heeft vervolgens op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awb buiten zitting uitspraak gedaan.
De voorzieningenrechter overweegt dat de intrekking van het verzoek om een voorlopige voorziening plaatsvond omdat bij uitspraak van 31 maart 2023 in de bodemprocedure al op het beroep was beslist. Gezien de uitkomst van de bodemprocedure is er geen aanleiding om de staatssecretaris te veroordelen in de proceskosten. Het verzoek om proceskostenvergoeding wordt daarom als kennelijk ongegrond afgewezen.
De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter J.E.C. Vriends en griffier J. de Winter en is openbaar gemaakt zonder mogelijkheid tot hoger beroep of verzet.
Uitkomst: Het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen na intrekking van het verzoek om een voorlopige voorziening.