ECLI:NL:RBDHA:2023:8941

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 juni 2023
Publicatiedatum
21 juni 2023
Zaaknummer
NL21.17469
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:83 AwbArt. 8:84 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek proceskostenvergoeding na intrekking voorlopige voorziening in vreemdelingenzaak

Verzoekster heeft een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het verblijfsdoel 'familie en gezin' ingediend, welke op 8 oktober 2021 door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is afgewezen. Het bezwaar van verzoekster tegen deze afwijzing is op 19 oktober 2022 ongegrond verklaard. Vervolgens heeft verzoekster beroep ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.

Op 5 april 2023 heeft verzoekster het verzoek om een voorlopige voorziening ingetrokken en daarbij verzocht om de staatssecretaris te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten. De voorzieningenrechter heeft de staatssecretaris in de gelegenheid gesteld hierop te reageren en heeft vervolgens op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awb buiten zitting uitspraak gedaan.

De voorzieningenrechter overweegt dat de intrekking van het verzoek om een voorlopige voorziening plaatsvond omdat bij uitspraak van 31 maart 2023 in de bodemprocedure al op het beroep was beslist. Gezien de uitkomst van de bodemprocedure is er geen aanleiding om de staatssecretaris te veroordelen in de proceskosten. Het verzoek om proceskostenvergoeding wordt daarom als kennelijk ongegrond afgewezen.

De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter J.E.C. Vriends en griffier J. de Winter en is openbaar gemaakt zonder mogelijkheid tot hoger beroep of verzet.

Uitkomst: Het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen na intrekking van het verzoek om een voorlopige voorziening.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL21.17469
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam], verzoekster,

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. M.H. Steenbergen), en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder, (gemachtigde: J. Vreijsen).

Procesverloop

Bij besluit van 8 oktober 2021 (primair besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoekster voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het verblijfsdoel ‘familie en gezin’ afgewezen.
Bij besluit van 19 oktober 2022 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard.
Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Op 5 april 2023 heeft verzoekster het verzoek om een voorlopige voorziening ingetrokken met daarbij het verzoek verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
De voorzieningenrechter heeft verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek.
De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awb1 uitspraak buiten zitting.

Overwegingen

1. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Die wetsartikelen zijn op grond van artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb ook van toepassing op de voorlopige-voorzieningenprocedure. Als een verzoek om voorlopige voorziening wordt
1. Algemene wet bestuursrecht.
ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoet gekomen, kan de voorzieningenrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
2. Gelet op de dossierstukken is verweerder niet tegemoet gekomen aan het verzoek om een voorlopige voorziening. Het verzoek is ingetrokken omdat bij uitspraak van 31 maart 2023 is beslist op het beroep, waarop dit verzoek om een voorlopige voorziening betrekking heeft. Gelet op de uitkomst in de bodemprocedure is er geen aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten.
3. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af als kennelijk ongegrond.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een proceskostenveroordeling af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.E.C. Vriends, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.