ECLI:NL:RBDHA:2023:9034

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 juni 2023
Publicatiedatum
23 juni 2023
Zaaknummer
NL23.5946
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 Vreemdelingenwet 2000Art. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag en weigering verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM

Eiser, een Nigeriaanse staatsburger, heeft asiel aangevraagd wegens bedreiging en vervolging vanwege zijn religieuze overtuiging en activiteiten als straatpredikant. Na eerdere verlening en intrekking van een verblijfsvergunning op humanitaire gronden, wees de staatssecretaris de asielaanvraag af. De rechtbank beoordeelde of eiser procesbelang had, ondanks zijn vertrek uit Nederland, en concludeerde dat dit aanwezig was vanwege actueel contact met zijn gemachtigde.

De kern van het geschil betrof de vraag of de staatssecretaris ten onrechte heeft geweigerd een verblijfsvergunning te verlenen op grond van artikel 8 EVRM Pro, het recht op gezinsleven. Eiser is gehuwd met een Unieburger van Nigeriaanse afkomst, maar kon niet aannemelijk maken hoe het gezinsleven in Nederland wordt ingevuld en waarom voortzetting buiten Nederland niet mogelijk is.

De rechtbank oordeelde dat het recht op gezinsleven niet automatisch leidt tot een verblijfsvergunning en dat een belangenafweging tussen het belang van eiser en het migratiebeleid noodzakelijk is. Gezien het ontbreken van voldoende onderbouwing en het feit dat het gezinsleven ook buiten Nederland kan worden voortgezet, verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond.

Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag en weigering verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.5946

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[Naam], eiser

V-nummer: [Nummer]
(gemachtigde: mr. H.C.Ch. Kneuvels),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigden: mr. drs. M.F. van der Lubbe en mr. M.A.M. Janssen).

ProcesverloopBij besluit van 2 februari 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 8 juni 2023 op zitting behandeld. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [Geboortedatum] en de Nigeriaanse nationaliteit te hebben.
2. Op 15 april 2019 heeft eiser in Rotterdam aangifte gedaan van mensenhandel. Op grond daarvan heeft verweerder bij besluit van 16 april 2019 aan eiser een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘tijdelijke humanitaire gronden’ verleend, geldig van 15 april 2019 tot 15 april 2020. Op 1 mei 2019 heeft de Officier van Justitie besloten niet over te gaan tot vervolging naar aanleiding van eisers aangifte. Daarom heeft verweerder bij besluit van 8 augustus 2019 eisers reguliere verblijfsvergunning ingetrokken. Bij besluit van 13 maart 2020 heeft verweerder het daartegen door eiser gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
3. Op 27 februari 2019 heeft eiser asiel aangevraagd in Nederland. Daaraan heeft hij het volgende ten grondslag gelegd. Eiser is door zijn familie bedreigd, bestraft en buitengesloten omdat hij Christen is en werkzaam was als straatpredikant. Ook is hij ontvoerd door de [Naam 2] (militante Islamitische nomaden) omdat hij met een Bijbel over straat liep. Bij terugkeer vreest eiser voor zijn familie, voor de [Naam 2] en voor de reisagent die hem heeft geholpen met zijn reis van Libië naar Italië.
4. Bij besluit van 7 juni 2021 heeft verweerder eisers asielaanvraag afgewezen. Op 14 februari 2022 heeft verweerder dit besluit ingetrokken. Bij het bestreden besluit heeft verweerder eisers asielaanvraag opnieuw afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Verweerder heeft de door eiser gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig geacht. Ook heeft verweerder geloofwaardig geacht dat eiser Christen is. Verweerder heeft echter niet geloofwaardig geacht dat eiser werkzaam is geweest als straatpredikant en dat hij problemen heeft ondervonden vanwege zijn religie. Ook heeft verweerder niet geloofwaardig geacht dat eiser is ontvoerd door de [Naam 2]. Volgens verweerder is er geen aanleiding om aan eiser een asielvergunning te verlenen, omdat niet uit openbare bronnen blijkt dat hij in Nigeria als Christen te vrezen heeft en omdat niet aannemelijk is dat zijn mensensmokkelaar hem in Nigeria kan traceren. Ten slotte heeft verweerder overwogen dat er geen aanleiding bestaat om aan eiser een reguliere verblijfsvergunning te verlenen op grond van artikel 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM, het recht op gezinsleven). Eiser is op 20 augustus 2022 getrouwd met [Naam 3], een Tsjechische van Nigeriaanse origine. Hij heeft volgens verweerder echter niet aannemelijk gemaakt hoe het gezinsleven wordt ingevuld en evenmin dat het gezinsleven niet buiten Nederland kan worden voortgezet.
5. Op wat eiser daartegen aanvoert wordt hierna ingegaan.
De rechtbank oordeelt als volgt.
6. De bestuursrechter moet beoordelen of er procesbelang aanwezig is. Dat is het geval als de indiener met het beroep in een gunstiger positie kan komen. Op 9 mei 2023 heeft verweerder aan de rechtbank gemeld dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, bijvoorbeeld de uitspraak van 22 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:579, betekent dit dat er geen procesbelang meer aanwezig is, behalve als de vreemdeling laat weten dat hij nog contact onderhoudt met zijn gemachtigde. Op 6 juni 2023 heeft eisers gemachtigde gemeld dat zij in de voorafgaande week nog telefonisch contact heeft gehad met eiser, dat hij met vakantie is gegaan en dat hij rond 12 juni terug is in Nederland. Ter zitting heeft de rechtbank de gemachtigde van eiser in de gelegenheid gesteld om uiterlijk op donderdag 15 juni 2023 te laten weten of eiser weer terug is in Nederland en of zij weer actueel contact met hem heeft. Op die datum heeft zij laten weten dat dit het geval is. De rechtbank acht daarom procesbelang aanwezig, zodat de zaak verder inhoudelijk kan worden beoordeeld.
7. In de brief van 6 juni 2023 en ter zitting is namens eiser duidelijk gemaakt dat alleen in geschil is of verweerder kon weigeren om aan hem een reguliere verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van Pro het EVRM te verlenen. Eiser voert aan dat verweerder dit niet kon weigeren. Daarbij stelt hij dat hij gehuwd is met een Unieburger en dat dit met het overleggen van een trouwboekje en officiële paspoorten voldoende is onderbouwd. Eiser en zijn partner zijn niet op hetzelfde adres ingeschreven in de Basisregistratie Personen, maar dit komt volgens eiser doordat zij nog woningzoekend zijn. Ter zitting is namens eiser toegelicht dat naast deze procedure ook een procedure loopt tot afgifte van een document ter bevestiging van zijn Unierechtelijke verblijfsrecht. Volgens eiser is het niet opportuun om daar in deze procedure geen rekening mee te houden.
8. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Verblijfsrecht op grond van artikel 8 van Pro het EVRM is van andere aard dan verblijfsrecht op grond van het Unierecht. Hoewel aan beide rechten een partnerschapsrelatie ten grondslag kan liggen, zijn de voorwaarden verschillend. Niet in geschil is dat eiser met zijn partner in Nederland gezinsleven heeft zoals bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM, maar dit leidt niet automatisch tot verlening van een verblijfsvergunning. Er moet namelijk een belangenafweging worden gemaakt tussen eisers belang bij voortzetting van zijn gezinsleven in Nederland en verweerders belang bij de uitvoering van het restrictieve migratiebeleid. In dat kader heeft verweerder niet ten onrechte doorslaggevend gewicht toegekend aan de omstandigheden dat eiser niet heeft onderbouwd hoe het gezinsleven wordt ingevuld en dat niet is gebleken dat het gezinsleven niet buiten Nederland (zoals in Tsjechië of in Nigeria) kan worden voortgezet.
9. De rechtbank komt tot de conclusie dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C.J. van Dooijeweert, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.