ECLI:NL:RBDHA:2023:9038

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 juni 2023
Publicatiedatum
23 juni 2023
Zaaknummer
NL23.14682
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30c, eerste lid, aanhef en onder c, Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijk verklaring beroep tegen buiten behandeling stelling asielaanvraag wegens vertrek met onbekende bestemming

Eiser, van Marokkaanse nationaliteit, diende op 20 februari 2023 een asielaanvraag in. Verweerder stelde deze aanvraag op 10 mei 2023 buiten behandeling omdat eiser sinds 29 maart 2023 met onbekende bestemming was vertrokken zonder contact te onderhouden met zijn gemachtigde.

De rechtbank behandelde het beroep op 21 juni 2023, waarbij eiser afwezig was. De gemachtigde gaf aan niet te weten waar eiser verblijft en dat het laatste contact enkele weken geleden was. Hoewel de gemachtigde stelde dat eiser nog procesbelang heeft, kon dit niet worden onderbouwd.

De rechtbank oordeelde dat eiser kennelijk geen prijs meer stelt op de bescherming die hij aanvankelijk zocht en daarom geen rechtens te beschermen belang meer heeft bij inhoudelijke behandeling van het beroep. Het beroep werd niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank ging niet in op het terugkeerbesluit en inreisverbod omdat eiser hiertegen geen gronden had aangevoerd.

Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak kan binnen één week hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens vertrek met onbekende bestemming zonder contact met gemachtigde.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL23.14682
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. M. Rasul),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. C.J. Ohrtmann).

Procesverloop

Bij besluit van 10 mei 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure buiten behandeling gesteld.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep, tezamen met de zaak NL23.14683, op 21 juni 2023 op zitting behandeld. Eiser was met voorafgaand bericht afwezig. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Overwegingen

De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
1. Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1985.
Hij heeft op 20 februari 2023 een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft deze op 10 mei 2023 buiten behandeling gesteld op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). De reden daarvoor is dat eiser op 29 maart 2023 met onbekende bestemming (mob) is vertrokken. Verweerder heeft bij dit besluit bepaald dat eiser Nederland onmiddellijk moet verlaten en verweerder heeft een inreisverbod van twee jaar opgelegd.
3. Uit vaste rechtspraak volgt dat, indien de vreemdeling die een asielaanvraag heeft ingediend met onbekende bestemming is vertrokken zonder contact te onderhouden met zijn gemachtigde, hij kennelijk geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. In dat geval heeft de vreemdeling geen rechtens te beschermen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het ingestelde beroep. Dit is slechts anders als een vreemdeling laat weten dat hij contact met zijn gemachtigde onderhoudt en dus nog prijs stelt op deze bescherming. Dit impliceert dat de gemachtigde weet dat een vreemdeling nog in Nederland verblijft, waar hij verblijft en met de vreemdeling contact heeft over de verdere voortgang van de procedure en de keuzes die in dit kader moeten worden gemaakt (vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:579).
4. De gemachtigde van eiser heeft op 19 juni 2023 schriftelijk gereageerd op vragen van de rechtbank. De gemachtigde heeft meegedeeld dat hij niet weet waar eiser verblijft en dat hij ‘enkele weken geleden’ voor het laatst contact met hem heeft gehad. Hij heeft gesteld dat eiser nog wel procesbelang heeft, ook omdat de periode waarin eiser als mob gemeld staat te kort is en omdat het kan zijn dat eiser strafrechtelijk gedetineerd is.
5. De rechtbank is van oordeel dat is gebleken dat eiser sinds 29 maart 2023 met onbekende bestemming is vertrokken. Verweerder noch eisers gemachtigde weet waar hij verblijft en of eiser nog in Nederland is. Daarnaast blijkt uit de informatie van eisers gemachtigde niet precies wanneer hij voor het laatst contact heeft gehad over de voortgang van de procedure en of er na de mob-melding nog contact is geweest. Dat eiser zou zijn gedetineerd blijkt uit niets en desgevraagd heeft eisers gemachtigde ook geen antwoord gegeven op de vraag wat hij heeft gedaan om te achterhalen of eiser gedetineerd is. Anders dan namens eiser is betoogd, ligt het niet op de weg van verweerder om te onderbouwen dat eiser níet is gedetineerd. Ook het standpunt van eisers gemachtigde dat het tijdverloop sinds de mob-melding – te weten 84 dagen – dermate kort is dan niet van die melding zou kunnen worden uitgegaan, volgt de rechtbank niet.
6. In lijn met de vaste rechtspraak over dit onderwerp neemt de rechtbank in dit geval aan dat eiser kennelijk geen prijs meer stelt op de aanvankelijk door hem gezochte bescherming hier in Nederland. Aldus heeft eiser geen rechtens te beschermen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep tegen de buiten behandelingstelling van zijn asielaanvraag.
7. Omdat eiser geen gronden heeft aangevoerd tegen het opgelegde terugkeerbesluit en inreisverbod zal de rechtbank hier verder niet op ingaan.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 21 juni 2023 door mr. O. Veldman, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. van Luijk - Salomons, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
22 juni 2023

Documentcode: [documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.