Verzoekster heeft een asielaanvraag ingediend die door verweerder niet in behandeling is genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk zou zijn volgens de Dublinverordening. Verzoekster stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter overweegt dat het belang van verzoekster om bij de behandeling van haar beroep aanwezig te zijn zwaarder weegt dan het belang van verweerder om verzoekster al over te dragen aan Frankrijk. De behandeling van het beroep staat gepland op korte termijn, waardoor de overdrachtstermijn wordt gestuit.
Daarom wordt het verzoek om voorlopige voorziening als kennelijk gegrond toegewezen, het bestreden besluit geschorst en verzoekster mag de behandeling van haar beroep in Nederland afwachten. Verweerder wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten van €837.