ECLI:NL:RBDHA:2023:946
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet tijdig beslissen en intrekking primair besluit inzake functiewaardering ambtenaar
Eiser, een ambtenaar, verzocht om herwaardering van zijn functie, wat verweerder aanvankelijk afwees in een primair besluit van juni 2020. Na bezwaar verklaarde de rechtbank het bestreden besluit in januari 2022 gegrond en beval verweerder binnen twaalf weken een nieuw besluit te nemen. Verweerder nam dit besluit echter niet tijdig, waarop eiser opnieuw beroep instelde.
Verweerder trok in juli 2022 het oorspronkelijke primaire besluit in en nam een nieuw besluit waarin de functie van eiser werd beschreven en gewaardeerd, zonder bevordering met terugwerkende kracht. Eiser maakte bezwaar tegen dit besluit, dat nog in behandeling is. De rechtbank oordeelde dat het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk is geworden omdat verweerder alsnog uitvoering gaf aan de eerdere uitspraak.
De rechtbank stelde vast dat het besluit van 4 juli 2022 deels een nieuw besluit op bezwaar is en deels een nieuw primair besluit. Voor zover het een nieuw primair besluit betreft, is de rechtbank onbevoegd omdat de bezwaarprocedure nog loopt. Voor zover het besluit het eerdere primaire besluit introk zonder een proceskostenbeslissing, vernietigde de rechtbank dat onderdeel en kende eiser een proceskostenvergoeding toe.
Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten van eiser vanwege de termijnoverschrijding. De uitspraak vervangt het bestreden besluit voor zover vernietigd en draagt verweerder op het betaalde griffierecht en proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig beslissen wordt niet-ontvankelijk verklaard en verweerder wordt veroordeeld in proceskosten en griffierecht.