De zaak betreft een geschil over de aanslag onroerende-zaakbelastingen gebruiker (OZBG) voor het kalenderjaar 2021, waarbij eiseres op 1 januari 2021 geen gebruiker meer was van het betreffende pand. Verweerder had de waarde van het pand vastgesteld op €288.000 op basis van gegevens uit het Handelsregister en de aanslag opgelegd. Na bezwaar verklaarde verweerder het bezwaar gegrond en vernietigde de aanslag, maar wees het verzoek om een kostenvergoeding af.
Eiseres stelde dat verweerder niet aan zijn onderzoeksplicht had voldaan, omdat het pand sinds december 2020 te huur stond en verweerder dit had moeten achterhalen. De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht uitging van het Handelsregister als authentieke bron en geen aanvullende onderzoeksplicht had. De aanslag werd vernietigd nadat eiseres had aangetoond geen gebruiker meer te zijn, maar dit was niet te wijten aan onrechtmatigheid van verweerder.
Daarnaast wees de rechtbank het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn af, omdat de vergoeding volgens de algemene voorwaarden aan de gemachtigde toekomt en niet aan eiseres zelf. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.