ECLI:NL:RBDHA:2023:9555

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 mei 2023
Publicatiedatum
3 juli 2023
Zaaknummer
NL23.12463
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vw 2000Art. 5.1b Vb 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging maatregel van bewaring op grond van artikel 59 Vreemdelingenwet 2000

In deze bestuursrechtelijke zaak heeft verweerder op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser. De maatregel is gebaseerd op zowel zware als lichte gronden, waaronder het risico dat eiser zich aan toezicht onttrekt en de uitzettingsprocedure belemmert.

Eiser betwist enkele gronden, zoals het niet ontvangen van een terugkeerbesluit en het ontbreken van voldoende middelen van bestaan, maar laat andere gronden onbetwist. De rechtbank oordeelt dat de onbetwiste gronden op zichzelf voldoende zijn om de maatregel te dragen. Daarnaast heeft verweerder tijdens het gehoor alle relevante omstandigheden onderzocht, waaronder de mogelijkheid van een lichter middel.

Hoewel eiser stelt dat hij een relatie heeft die hem kan onderhouden, blijkt uit het gehoor dat deze relatie niet is geregistreerd, hij geen vast adres heeft en niet meewerkt aan terugkeer. De rechtbank concludeert dat geen lichter, doeltreffend middel voorhanden is. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.12463

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. E. Stap),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: F. van de Kamp).

Procesverloop

In een besluit van 24 april 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 1 mei 2023 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A.S. Choukti. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), als
zware grondenvermeld dat eiser:
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3f. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als
lichte grondenvermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
2. Eiser heeft de zware grond onder 3c en de lichte grond onder 4d betwist. Eiser claimt dat de zware grond 3c niet juist heeft omdat hij de beschikking van 6 februari 2023, dat ook een terugkeerbesluit bevatte, niet ontvangen heeft omdat hij op dat moment met onbekende bestemming was vetrokken uit de opvang. Eiser betwist de lichte grond onder 4d omdat hij een vriendin heeft die in zijn onderhoud kan voorzien.
3. Wat hier ook van zij, de zware gronden onder 3b, 3f en 3i en de lichte gronden onder 4a en 4c heeft eiser niet betwist en deze gronden alleen kunnen de maatregel reeds dragen. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat er onvoldoende gronden zijn om de maatregel van bewaring te kunnen dragen. Ambtshalve toetsend komt de rechtbank niet tot een ander oordeel.
4. Eiser heeft zich daarnaast op het standpunt gesteld dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel dan inbewaringstelling. Eiser heeft namelijk verklaard dat hij een relatie heeft met een vrouw in Tilburg waar hij bij kan verblijven en die hem ook kan onderhouden.
5. De rechtbank heeft verweerder ter zitting voorgehouden of eiser tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling volgens hem afdoende is bevraagd over de mogelijke toepassing van een lichter middel.
6. De rechtbank volgt verweerder in de ter zitting gegeven toelichting dat eiser weliswaar niet expliciet is gevraagd of er redenen zijn waarom verweerder met een lichter middel zou kunnen volstaan, maar dat verweerder tijdens het gehoor wel naar alle relevante omstandigheden heeft gevraagd. Uit het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling blijkt namelijk – zoals verweerder ter zitting heeft aangevoerd – dat eiser desgevraagd heeft verklaard dat hij een relatie heeft met een vrouw in Tilburg, maar dat hij deze relatie niet heeft laten registreren, dat hij niet met haar samenwoont en dat hij ook het adres niet weet. Ook heeft eiser verklaard dat hij geen geld heeft om een vliegticket te kopen en dat hij geen vast adres heeft, maar dat hij af en toe bij zijn tante in Amsterdam verblijft. Tot slot heeft eiser verklaard dat hij niet gaat meewerken aan terugkeer naar Marokko. Verweerder heeft zich gelet op deze omstandigheden ook terecht op het standpunt gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregel dan inbewaringstelling doeltreffend kan worden toegepast. Verweerder heeft daarbij ook terecht gewezen op de aan de maatregel van bewaring ten grondslag liggende gronden en het onttrekkingsrisico dat daaruit volgt.
7. Voor zover de inbewaringstelling van eiser en de tenuitvoerlegging daarvan aan het ambtshalve oordeel van de rechtbank is overgelaten, ziet de rechtbank geen redenen om de maatregel onrechtmatig te achten.
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van 't Klooster, rechter, in aanwezigheid van mr M.W.M. Bankers, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 8 mei 2023
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.