ECLI:NL:RBDHA:2023:963
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- L. Willems - Keekstra
- Rechtspraak.nl
Beoordeling voortduren maatregel bewaring vreemdeling met zicht op uitzetting naar Marokko
De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van een Marokkaanse vreemdeling tegen het voortduren van zijn maatregel van bewaring op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel was reeds eerder getoetst en toen als rechtmatig beoordeeld tot het sluiten van het vorige onderzoek op 30 december 2022.
De eiser stelde dat onvoldoende zicht bestond op uitzetting naar Marokko, mede vanwege het ontbreken van een laissez-passer en het stagneren van uitzettingen. Tevens betoogde hij dat verweerder onvoldoende voortvarend had gehandeld. Verweerder stelde dat ook medewerking van de vreemdeling zelf nodig is en dat hij voldoende inspanningen had verricht, waaronder rappelleren op de lp-aanvraag en vertrekgesprekken.
De rechtbank overwoog dat sinds de lp-aanvraag op 5 december 2022 tot het sluiten van het onderzoek circa acht weken verstreken waren, met tweemaal rappelleren. Er waren geen aanwijzingen dat de Marokkaanse autoriteiten niet zouden meewerken. Ook werd meegewogen dat eiser niet actief meewerkt aan zijn terugkeer. De rechtbank concludeerde dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn niet ontbreekt en dat verweerder voldoende voortvarend heeft gehandeld.
De rechtbank wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af en oordeelde dat de maatregel van bewaring rechtmatig voortduurt. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is onherroepelijk.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.