ECLI:NL:RBDHA:2023:9656
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Rechtbank Den Haag vernietigt besluit dagloon WW-uitkering wegens onevenredigheid
Eiser ontving een WW-uitkering op basis van een dagloon dat verweerder berekende met een referteperiode van 1 april 2018 tot en met 3 maart 2019. Eiser betoogde dat deze periode niet representatief was omdat hij door onterecht op non-actief stellen door zijn werkgever in een deel van deze periode zijn bonus niet kon verdienen, terwijl de bonus onlosmakelijk verbonden was aan zijn functie. Hierdoor was het inkomen in die periode lager dan normaal.
Verweerder handhaafde het besluit en stelde dat het Dagloonbesluit geen afwijking van de referteperiode toestaat. De rechtbank oordeelde echter dat het evenredigheidsbeginsel vereist dat in deze specifieke situatie van de voorgeschreven referteperiode moet worden afgeweken omdat het resultaat voor eiser onevenredig nadelig is.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en droeg verweerder op een nieuw besluit te nemen met een representatieve referteperiode. Daarnaast veroordeelde de rechtbank verweerder in de proceskosten en tot vergoeding van het griffierecht. De uitspraak is gedaan door rechter A.J. van der Ven op 19 mei 2023.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en verweerder moet een nieuw besluit nemen met een representatieve referteperiode.