ECLI:NL:RBDHA:2023:9682
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen weigering visum kort verblijf wegens onvoldoende spoedeisend belang
Verzoeker heeft een visum kort verblijf aangevraagd dat door verweerder is geweigerd. Tegen dit besluit is bezwaar gemaakt en tevens is een voorlopige voorziening gevraagd om binnen vier weken een visum te verlenen.
De voorzieningenrechter heeft op zitting vastgesteld dat verzoeker onvoldoende heeft onderbouwd waarom onverwijlde spoed bestaat om het visum te verkrijgen, ondanks de erkenningsprocedure van zijn minderjarig biologisch kind in Nederland. De stelling dat documenten zouden verlopen voordat op bezwaar wordt beslist, is niet concreet onderbouwd.
Omdat het spoedeisend belang ontbreekt, kan alleen een voorlopige voorziening worden getroffen indien het besluit evident onrechtmatig is. De voorzieningenrechter oordeelt dat dit niet het geval is, omdat verweerder het besluit redelijk heeft gemotiveerd met onvoldoende onderbouwing van het doel en de omstandigheden van het verblijf en de terugkeergarantie.
Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de weigering van het visum kort verblijf wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang en geen evident onrechtmatig besluit.