ECLI:NL:RBDHA:2023:9708
Rechtbank Den Haag
- Vereenvoudigde behandeling
- Rechtspraak.nl
Beroep niet-ontvankelijk wegens prematuur ingediend beroep tegen niet tijdig beslissen asielaanvraag
Eiseres diende op 5 april 2022 een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel in. Zij stelde de staatssecretaris op 6 oktober 2022 in gebreke wegens het niet tijdig beslissen en stelde op 23 oktober 2022 beroep in tegen het uitblijven van een besluit. De staatssecretaris besloot op 10 maart 2023 alsnog de aanvraag in te willigen. Eiseres wilde het beroep intrekken onder voorwaarde van vergoeding van proceskosten, hetgeen de staatssecretaris weigerde, waardoor het beroep bleef gehandhaafd.
De rechtbank oordeelde dat de wettelijke beslistermijn van zes maanden, die op 5 oktober 2022 zou verstrijken, rechtsgeldig met negen maanden was verlengd vanwege een groot aantal gelijktijdige aanvragen, conform artikel 42, vierde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 en het WBV 2022/22. Hierdoor eindigde de beslistermijn op 5 juli 2023, waardoor de ingebrekestelling van 6 oktober 2022 prematuur was ingediend.
Op grond van artikel 6:12, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een beroep tegen het niet tijdig beslissen pas mogelijk nadat een ingebrekestelling is ontvangen en twee weken zijn verstreken. Omdat de ingebrekestelling in deze zaak te vroeg was, voldeed het beroep niet aan de vereisten en werd het beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
De rechtbank zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en verklaarde het beroep niet-ontvankelijk. De uitspraak werd gedaan door rechter C.H. de Groot en openbaar gemaakt op 5 juli 2023.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig beslissen is niet-ontvankelijk verklaard wegens prematuur ingediende ingebrekestelling.