Verzoekers hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op hun bezwaar van 28 december 2021 tegen de afwijzing van hun aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf. Tijdens het beroep heeft de staatssecretaris alsnog een besluit genomen en het bezwaar gegrond verklaard. Hierop hebben verzoekers het beroep ingetrokken en verzocht om vergoeding van de proceskosten.
De rechtbank oordeelt dat verweerder aan verzoekers is tegemoetgekomen door alsnog te beslissen en dat het verzoek om proceskostenvergoeding gegrond is. De proceskosten worden vastgesteld op €418,50, gebaseerd op het Besluit proceskosten bestuursrecht en de wegingsfactor 'licht', aangezien het beroep alleen betrekking had op het niet tijdig nemen van een besluit.
Daarnaast wijst de rechtbank erop dat verweerder verplicht is het betaalde griffierecht te vergoeden en dat verzoekers zich hiervoor tot verweerder moeten wenden. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.